©

2020

Jesse

Musson

Levens-verhaal

Levensverhaal

Levensverhaal

Levens-
verhaal

Hoe het behandelen van een jongeman met zware angst- en identiteitsproblematiek helemaal misgaat, en hoe hij dealt met de rampzalige gevolgen.
Inleiding

U staat op het punt mijn levensverhaal te lezen, zoals ik het in 2010 heb opgeschreven. Recent bijgevoegd is alles tussen 2011-2020. Vanaf begin 2020 ben ik artikelen gaan produceren, die op de Artikelen-pagina te lezen zijn.
Omdat ik mijn hele leven psychische klachten heb gehad, ligt de nadruk in dit levensverhaal op mijn klachten, en de therapieën die ik heb gehad om deze klachten te doorbreken, wat helaas een desastreus gevolg had.
Alle namen zijn gefingeerd, behalve mijn eigen naam.

Inhoud

Even voorstellen…
De middelbare school
Universiteit
Hulp zoeken
De klinische behandeling
De deeltijdbehandeling
Een hernieuwde kijk op mijn ouders
Een kleine toelichting

Ná de deeltijdbehandeling
Toch nog liefde…
Een poging tot meer activiteiten
Een intense nieuwe liefde
Verwijzing naar Centrum voor Psychose
Getarget door Draken

Even voorstellen…

Op 8 februari 1984 werd ik, Jesse Musson, geboren, samen met mijn tweelingzusje Lauren. Wij zouden samen de wereld mogen ontdekken. Ik had ook een 2 ½ jaar oudere broer, Anton. En m’n ouders waren Maria en Hector. Mijn ouders zijn hele lieve mensen. Ze hebben alles voor je over, weten veel en helpen je graag met alles en ik vond het altijd erg fijn om die steun te krijgen. Zoals ik ze hier beschrijf, heb ik ze mijn hele jeugd gezien. Ik heb in al die tijd veel leuke dingen mogen beleven. Als het goed ging, was ik druk, driftig, enthousiast en een echte clown, maar dit wisselde zich af met periodes dat ik niet echt gelukkig was: ik had mijn hele kindertijd namelijk last van ontzettend heftige angsten, en zat gewoon niet altijd lekker in mijn vel. Ik had ook vaak het gevoel dat ik gepest werd, en dat kwam waarschijnlijk gewoon doordat ik m’n gevoel niet voldoende liet zien in het contact met leeftijdsgenootjes. Ik bewoog me liever buiten al het drukke sociale verkeer, speelde dan vaak alleen of met m’n broer of zus. Toch speelde ik wel met vriendjes. Ik bracht ze mee naar huis of ik ging bij hen spelen. Maar dit fijne vriendschappelijke contact kon ook zo ineens weer over zijn, door iets wat gebeurde. Dan trok ik me terug in mezelf, verloor ik het vertrouwen in de ander, en in mezelf.

Ik was een ontzettende goede leerling. Haalde altijd tienen, had de maximale citoscore, en beleefde aan het leren ook plezier, al ging dat eigenlijk vanzelf. Mijn zus Lauren was net zo, al had ik het in de basisschooljaren meestal nog in meerdere mate. Mijn broer Anton was hoogbegaafd, en sloeg een klas over. Dit mocht ik ook, vond m’n juffrouw van groep 4, maar ik wilde dat niet. Ik wilde liever bij m’n zus blijven. Ik liep meestal maar achter haar aan (ze noemde me ooit ‘eendje’ vanwege dit feit). We gingen samen naar school, we gingen samen naar muziekles, we gingen samen naar judo, kortom: we deden erg veel samen.  En ze was ontzettend belangrijk voor me. Als ze een keer wat later terugkwam van school omdat ze nog even hielp met iets, zat ik me thuis bezorgd af te vragen waar ze bleef, of er niks ergs was gebeurd, en of ze nog wel thuis kwam.

Tegen mijn broer keek ik ontzettend op. Ik had ook altijd het idee dat hij meer aandacht kreeg dan ik, want in m’n hoofd zat het idee dat je meer aandacht krijgt als je slimmer bent. Ik wilde dus ook zo zijn als hij, en deed daar dan ook alles voor. Hij leek de perfecte broer. Ik volgde hem wanneer hij in z’n Batman pak over straat ging, ik was dan Robin, maar een pak had ik niet. Als ik er om had gevraagd, had ik het vast wel gekregen, maar ik wilde het liefst niet zo opvallen. Eigenlijk had ik gewoon geen duidelijke identiteit.

Sinds groep 5 was er altijd wel een leuk meisje op wie ik m’n oog had laten vallen, maar ik maakte weinig of geen contact met ze. Ik verstopte me soms zelfs voor ze, want ik was erg bang voor hun mening over mij. Eén keer had ik me weer verstopt in het portaaltje voor de garagedeur van een garagebox, en keek ik de hele tijd de hoek om naar het schoolplein, naar m’n stille liefde. Blijkbaar had haar zusje dit door, want ineens stonden ze samen voor me. Ik brabbelde wat van “Ja, ik sta hier wel vaker…” maar ik kon wel door de grond zakken. Ook de vriendinnetjes van m’n zus waren favoriet, omdat ik dan zelf weinig moeite hoefde te doen om contact met ze te maken, omdat dat toch vanzelf ging, als ze bij ons thuis waren. Met eentje wisselde ik snoepjes uit, en vree ik voetje, want zij vond me toen ook leuk. Maar dit ging vanzelf ook weer over, en dan liet ik m’n oog weer op een ander meisje vallen.

De middelbare school
1996-2002

In zomer 1996 ging ik, samen met m’n zus, naar de brugklas. De school had genoeg leerlingen om een vwo-brugklas te vormen. En ik zat dan ook voor het eerst met mensen van gelijke intelligentie. Het was allemaal wel erg spannend. Voor het eerst zonder ouders door de stad lopen, op weg naar school, met enorme tassen achter op onze ruggen. Mijn moeder vond dat boekentassen beter waren dan gewone rugzakken, en ik had me dan ook helemaal door haar mening laten leiden, zoals ik vaker deed. Op school bleek dat iedereen een gewone rugzak had, en er werd gelachen om onze boekentassen. Het kostte mij het eerste jaar moeite om te wennen. Af en toe werd ik gepest door mensen uit andere klassen, bijvoorbeeld bij de gymles en in de pauze, en bracht ik de pauzes soms, om dit te vermijden, door in de bibliotheek van de school. In de klas zaten een aantal mensen bij wie ik me niet thuis voelde, maar ook een aantal bij wie ik me wel thuis voelde en daar trok ik dan ook de meeste tijd mee op. Ik kreeg ook voor het eerst écht het gevoel van vriendschap. De tweede klas was al een stuk leuker, en het zou ieder jaar leuker worden. In de pauzes zat ik meestal bij dezelfde mensen en als hadden vaak de grootste lol! Maar ook hier hield de zo bekende angst niet op. Ik had last van grote onzekerheden, ik voelde me niet altijd veilig en de puberteit versterkte dit alleen maar. Wie was ik? Ik was ontzettend kritisch naar mezelf. Ik ontwikkelde een groot kledingprobleem en voelde me superonzeker in nieuwe kleding en het kwam vaak voor dat ik bepaalde kleding niet meer droeg, omdat het zoveel angst veroorzaakte. Ondertussen was ik erg druk, vroeg ik veel aandacht in de klas door geluiden te maken, en stak ik constant de draak met alles en iedereen. Dit waren allemaal manieren voor mij om om te gaan met de heftige, overspoelende angst die ik in me had.

De schoolvakanties waren een ramp. Ik had geen afleiding meer en werd hopeloos met mezelf geconfronteerd. Ik piekerde me een ongeluk, en de angsten waren alom aanwezig. M’n nagels vernielde ik totaal, door ze tot bloedens toe af te kluiven. Dit gaf mij een gevoel van controle. Als ik een spannende film zag, sliep ik nachtenlang niet, en lag ik zwetend in m’n bed, bang voor geesten en meer van zulke dingen. Ook was ik bang dat ik blind zou worden, en ziektes zou krijgen. Ik miste m’n vrienden ontzettend, één in het bijzonder, omdat ik daar altijd zo veel lol mee had tijdens school, en dat was een reden om te gaan twijfelen over m’n geaardheid. Maar het was niet zo simpel, want ik walgde echt van het idee om intiem met hem te zijn, kreeg überhaupt geen erectie als ik aan mannen dacht, maar het idee drong zich gewoon steeds aan me op, als ik aan leuke meisjes dacht. Ik sprak hier veel over met m’n ouders. Als ze zeiden dat ze ook van me hielden als ik homo zou zijn, dan had ik het gevoel dat ze me dwongen tot die gevoelens, zo beïnvloedbaar was ik. Gelukkig kon ik dit idee, als de school weer begon, van me afzetten en kon ik me dan weer richten op al die leuke meisjes die op school rondliepen. Was ik altijd al geïnteresseerd in meisjes geweest; in de puberteit werd ik seksueel ook in ze geïnteresseerd. Ik fantaseerde vaak over ze.

In de pauzes ging ik met een aantal vrienden vaak muziek maken in het muzieklokaal. Dan speelden we piano en drumden we, en zo werd ik steeds handiger met muziek. Thuis deed ik ontzettend veel met een muziekprogramma dat ik van meneer Hans, een muziekleraar van de basisschool, had gekopieerd. Ik luisterde naar muziek op een cd of op tv, en probeerde het dan helemaal nootje voor nootje na te maken. Dat vond ik ontzettend leuk. Ook schreef ik m’n eigen muziek met dit programma. In de vierde klas had Vincent, een vriend van me dan ook het wilde idee om de muziek bij het komende schooltoneelstuk te gaan schrijven. Ik was voorzichtig, maar uiteindelijk ben ik er vol voor gegaan. En het resultaat was gaaf! Sterker nog: het volgende jaar zouden we het nóg een keer doen, met nóg veel beter resultaat. Op dat moment voelde ik me echt bijzonder. En pas dán kon ik trots zijn op mezelf, en voelde ik me echt iemand.

Maar dan werd het weer vakantie, en begonnen de twijfels weer te komen. Ik merkte dat ik het lichaam van een vrouw mooi vond, maar dat ik het lichaam van een man ook mooi kon vinden. Ik werd er niet opgewonden van, maar ik vond het wel mooi. Dit was weer reden om erg angstig te worden. Het was echt een probleem voor mij, omdat ik m’n zelfvertrouwen zo onderuit haalde. Ik heb jarenlang periodes gehad, waarop ik constant aan het testen was: ben ik nu hetero-, homo-, of biseksueel? Ik werd heen en weer geslingerd en voelde me steeds iemand anders. Ik was er door geobsedeerd. Dit was afgrijselijk. Als ik een lelijke vrouw zag naast een knappe man, dan sloeg de angst me om het hart. Terug op school, verdwenen die identiteitsangsten weer als sneeuw voor de zon. Dan was er structuur.

Wat in de puberteit ook gebeurde, was dat ik ontzettend bang werd voor transseksuelen. Als ik met de bus van school naar huis reed, stapte er op het station van een naburig dorp op een bepaalde dag altijd een vrouw in, die wat mannelijke trekken had in haar gezicht, en ze had ook een beetje een lage stem. Ik was er van overtuigd dat zij transseksueel was (wat overigens niet eens waar bleek te zijn), en was iedere week op die bewuste dag, panisch (van binnen), als we het station naderde.

Mooie momenten op school waren de reizen naar het buitenland. Zo hadden we in de derde klas een uitwisseling met Italië. Op basis van brieven werd je gekoppeld aan Italiaan. En ik werd gekoppeld aan de in de ogen van z’n klasgenoten grootste kneus van de klas, hoe verrassend. Ik heb nog lang hierom kunnen lachen. Details van toen hij hier was, zal ik je besparen, ook al is dat hilarisch. Later in het jaar gingen we dan naar Italië. Voor het eerst in het buitenland, want met m’n familie bleven we altijd in Nederland. Met m’n zus ging het toen niet zo goed. Ze voelde zich erg ziek. Met mij ging het op dat moment beter, maar bij een sportwedstrijd moest ik een aantal kilometer lopen. En viel ik tijdens het rennen uitgeput flauw, omdat ik telkens maar doorging en doorging zonder grenzen. Ik bleef stil liggen op de baan en m’n benen waren vuurrood. Al snel kwamen m’n vrienden toegelopen en die tilden me overeind. Ik had amper nog kracht om te lopen, en m’n bloeddruk werd opgenomen bij de ehbo, waar ze me aanraden om als ik thuis was even langs de dokter te gaan, en te vertellen over dit voorval.

In de vierde klas was er de Rome-reis, waar ik veel foto’s maakte, en later een reisje van een paar dagen naar België, waar ik voornamelijk filmde, stuk voor stuk momenten waarop ik opleefde. School was voor mij een geweldig afleiding en ik had er veel bereikt.

Toen ik dan ook in het zesde en laatste jaar zat, sloeg de twijfel toe. Wat moet ik gaan studeren? Waarom moet de middelbare school nu eindigen? Ik was vooral het laatste jaar veel bezig met filmen en maakte voor maatschappijleer samen met Anne, een klasgenootje, een film als praktische opdracht. Dat werd allemaal steeds leuker, en we kregen iets samen. Maar ik was zo bang voor de reactie van anderen, en schaamde me zo ontzettend, dat we het op mijn verzoek even geheim hielden. We schreven elkaar vaak brieven, die we op school dan aan elkaar gaven. Tegen het einde van het schooljaar, wist toch iedereen het, het ging geleidelijk. Ik vond het erg leuk, maar toen de school ten einde was, sloegen de twijfels weer toe. Ik ging weer piekeren. En het werd steeds erger, hoe intiemer ik werd met haar. Ziekelijk dwangmatig testte ik weer op alle mannen en vrouwen die ik zag, of ik ze mooi vond en of ze me opwonden. Ik werd wéér heen en weer geslingerd tussen hetero-, homo, en bi-seksualiteit, en het bleek toen ook nogmaals dat ik geen duidelijke identiteit had, maar dat wist ik toen nog niet. Steeds wanneer ik aan Anne dacht, seksueel gezien, kwam een man om de hoek kijken in m’n hoofd, die me alle lust ontnam en me bang maakte, waardoor ik als verzoenend gebaar naar die innerlijke man knuffelfantasieën kreeg, die me helemaal van slag maakten, omdat ik m’n zelfvertrouwen ook zo onderuit haalde. Later blijkt dit model te staan voor wat ik mee heb gemaakt in de relatie met m’n ouders. Een nieuwe bijkomstigheid was dat het soms net leek alsof ik een vrouwenlichaam had, bizar was dat. M’n zelfbeeld was zo verwrongen, alsof ik borsten had, en een vagina, terwijl ik dat niet wilde. (En dat was vroeger ook één van m’n angsten waar ik het wel eens over gehad heb met m’n moeder: ik was bang dat ik borsten zou krijgen. Ik werd bang dat ik een geslachtsveranderende operatie moest ondergaan, tegen m’n zin. Want ik wílde het niet! Maar ik werd er toe gedwongen voor m’n gevoel. En ik had ook de dwang om vrouwelijke bewegingen te maken, maar enkel als ik alleen was. Ik was erg depressief toen. Ik kreeg voor het eerst een antidepressivum, Efexor, en dat bracht meteen enige verlichting. Maar ondertussen reageerde ik mijn problemen af op Anne. Als zij even geen aandacht voor me had of met een andere jongen stond te praten, dan kolkte het bloed door m’n aders, dan was ik ontzettend jaloers, en dit was echt heel pijnlijk. Pas als boosheid om gedeelde aandacht er mag zijn, dán kan een mens aandacht delen, maar bij mij was m’n boosheid flink ingesnoerd, het mocht er niet zijn. En ik voelde me een zielig hoopje. Want ik wilde me ook zoals een man met zelfvertrouwen voelen, die tevreden was met zichzelf. Maar ik was verre van tevreden met mezelf. En werd steeds bozer. Als ik me aan Anne ergerde, en dat was steeds vaker, was het meteen over met de verliefdheid. Heel zwart-wit was dat. Tijdens het eindexamengala, wat zo mooi had moeten wezen, voelde ik me superslecht, ook al had ik een prachtig meisje naast me…

En toen brak de vakantie aan. We zouden op dat moment naar Parijs gaan, en ik was kwaad op Anne om een onbenullig iets. Hier spraken we aan de telefoon nog over, en toen smeet ik uit woede de hoorn op de haak. Later heb ik haar in tranen nog proberen te bellen, maar ze was er niet meer. De hele vakantie heb ik haar niet gesproken, en het was duidelijk dat het uit was. Het ging erg slecht met me en ik was er kapot van!!! Maar met de medicijnen kon ik het beter relativeren. Ik dacht: ik heb haar zo maar laten lopen! Waar heb ik me al die tijd druk om gemaakt!? Ik was in één keer van m’n klachten af, en ik kreeg weer wat gezonde vechtlust. Aan het einde van de vakantie, net voordat ik naar de universiteit ging, bracht ik haar als afscheid een grote ingelijste tekening die ik van haar gemaakt had. Volgens mij leek ie sprekend. En toen kon ik weer verder met m’n leven.

Universiteit
2002-2003

Na de zomer van 2002, ging ik aan de Universiteit psychologie studeren. Het was het enige wat me wel leuk leek, en dat werd best een leuk jaar, want ik had al snel een vriendengroepje waar mee ik op trok. Natuurlijk had ik m’n oog ook weer op verschillende meisjes laten vallen, maar tot contact kwam het niet echt. Ik was erg met mezelf bezig, en kon me niet goed richten op de studie, waardoor ik m’n tentamens regelmatig niet haalde.

Soms sprak ik met vrienden van de middelbare school af die waren blijven zitten en nu in 6vwo zaten: Frank en Chris. We gingen dan de stad in, aten een burger bij McDonald’s en gingen naar de speelhal om te airhockeyen. Veel lol hadden we dan! Op een middag in november was er een extra college ingelast, terwijl ik met Chris had afgesproken. Hij had nooit een telefoon bij zich, dus ik kon hem ook niet bellen. Toen maakte ik de (verkeerde) keuze om m’n extra college te gaan volgen, want ik was veel te bang dat ik iets miste. En ik liet Chris wachten. Ik hoopte dat hij het door zou hebben en naar huis zou gaan. ’s Avonds belde ik hem op en legde het uit. Hij klonk een beetje down. Ik sloot af met: “Nou, dan zie ik je snel!” waarop hij zei: “Misschien!” Ik snapte dit niet goed, maar ik nam aan dat ‘misschien’ op ‘snel’ sloeg…

Een paar dagen later, op een avond, belde de moeder van Chris me op dat Chris niet was thuisgekomen. Ik wist dat hij ook niet altijd lekker in z’n vel zat, en hij had er het wel eens over gehad, dus ik werd meteen ongerust. De volgende morgen, toen ik op de universiteit was, belde ik z’n moeder, en zij vertelde me dat de politie bij hen was, met het slechte nieuws dat Chris zelfmoord had gepleegd. Hij was over de rails gaan lopen vanaf het Station van een dorp vlakbij, en ’s nachts door een goederentrein gegrepen. Ik was echt verbouwereerd en moest terugdenken aan ons laatste telefoongesprek. Heb het tegen wat mensen verteld die er waren en ben toen even buiten gaan zitten om na te denken. Toen ik weer naar binnen ging, kregen we net een college sociologie, en waar ging het over: over zelfmoord! Ik snap niet dat ik tot het eind ben blijven zitten, maar ik voelde me wel gesterkt door m’n vrienden daar. Het was eng om met de trein toen terug naar huis te reizen. In een naburig dorp kwamen we met wat vrienden bij elkaar. Pas wat later kwam het verdriet. Na een paar keer lang huilen, had ik het vóór de begrafenis al allemaal verwerkt en weer op een rijtje, en op de begrafenis sprak ik de zaal toe met de woorden dat ik er vrede mee had. !!! De snelheid van dit alles was bijna surreëel. Maar dat zat in me, alles ging snel en moest snel. En zo heeft iedereen z’n manier, merkte ik wel.

M’n eerste studiejaar haalde ik uiteindelijk niet.

Hulp zoeken

De reden dat ik m’n studiejaar niet haalde, was, zoals ik eerder zei, omdat ik erg met mezelf bezig was, want langzaamaan kwamen de problemen weer terug, ondanks de medicijnen. De ziekteangsten kwamen terug. De seksuele angsten. Het kledingprobleem, enzovoort. Ik zag mezelf ontzettend vervormd in de spiegel, als een alien, kon m’n bril op m’n hoofd niet meer verdragen, kocht de gekste dingen om m’n droge haar maar wat vetter te krijgen, kreeg veel last van allergieën, en had ook erge last van moeheid. Ondertussen had ik gesprekken bij een aardige eerstelijnspsychologe, die ik na een aantal sessies vertelde over al deze vreemde gevoelens. Ze concludeerde dat er sprake was van een trauma, waarop zij mij doorverwees naar de psychiater Dr. Dalemans, in het ziekenhuis. De antidepressiva werden verhoogd en iedere keer zat ik huilend bij Dr. Dalemans. Het werd tijd om testen af te nemen. Een intelligentietest kreeg ik niet, want dat zat wel goed, maar wel een hoop andere testen. De middag dat we de resultaten kregen te horen, zal ik niet snel vergeten. Het was een andere psychiater van wie ik alles te horen kreeg, Dr. Willemen. Deze was streng en kritisch. Ik scoorde in de tests ontzettend hoog op conciëntieusheid, ontzettend hoog op angst, ontzettend laag op aanpassingsvermogen. Ook scoorde ik ontzettend hoog op vrouwelijk rolgedrag. Hij zei erbij dat dit niet altijd een probleem hoeft te zijn. Ook scoorde ik ontzettend hoog op angst. En hij vroeg aan me: “Denk je altijd zo diep?” Op een gegeven moment brak ik weer en zat te huilen, en m’n moeder ook. Hij zei: “Deze problemen komen vaak naar buiten op deze leeftijd”. Hij zei ook: “Hier ben je niet zomaar met wat therapie of wat medicijnen van af,” waarop ik vervolgens weer dacht dat ik gedwongen een geslachtsveranderende operatie moest ondergaan, wat ik overigens niet uitsprak. Hier kan ik nu wel om lachen, maar op dat moment was het serieus waar ik panisch voor was. “Heb je wel eens aan opname gedacht?” zei hij tegen me. En nog iets wat ik me kan herinneren was: “Laat ons nu eens de diagnose doen!” omdat ik me daar ontzettend mee bemoeide en dacht dat ik Adhd had, Pdd-nos (een autistoforme stoornis) enzovoort, omdat ik me daar zo in herkende. Deze stoornissen gaven me ook een stukje identiteit. Ik besloot dat ik geen opname wilde doen, maar een deeltijdbehandeling, zodat ik nog gewoon thuis kon wonen. Ik werd doorverwezen naar de deeltijdtherapie, alwaar ik gesprekken had met een vriendelijke psychotherapeut, Eelco de Smet, die later nog heel veel zou betekenen voor me, in negatieve zin. Hij vertelde me dat mijn persoonlijkheid is ontstaan doordat ik angstige dingen heb meegemaakt, dat ik té veel vluchtwegen had om ‘er’aan te ontsnappen, en dat een klinische opname beter zou zijn. Hij verwees me door naar een gespecialiseerde behandeling in een psychiatrisch ziekenhuis in een grote stad. M’n precieze diagnose was me nog steeds onduidelijk, want daar had ik niet naar gevraagd en ze hadden het me niet duidelijk verteld, en dat was misschien ook maar beter voor me.

Toen de medicijnen nog een keer verhoogd werden, kon ik me eindelijk weer een beetje goed voelen. Ik leerde via een forum op internet een meisje kennen, Tanja. We spraken voor het eerst af, en dat was toen erg leuk. We gingen vrij snel over tot seksuele handelingen, maar ik wilde zelf de volledige controle. En het was vaak puur afreageren. M’n angsten waren weg, en daardoor had ik geen last meer van gevoelens naar mannen. Ik was toen erg op mezelf gericht en er was altijd iets wat me tegenhield, ik vond het opwindend, maar tegelijk vies om zo intiem te zijn met iemand. Mijn relatie met Tanja heb ik later tijdens mijn klinische behandeling uitgemaakt, omdat er veel agressie zou vrijkomen in deze behandeling, en dat ging absoluut niet samen met een intieme relatie. Het was jammer, maar ik moest echt aan mezelf werken.

De klinische behandeling
2003-2004

Het psychiatrisch ziekenhuis waar ik de gespecialiseerde behandeling zou ondergaan, was een uit drie afdelingen bestaande kliniek, waar mensen met persoonlijkheidsstoornissen worden behandeld, die nergens anders geholpen kunnen worden. De mensen die daar komen hebben niet het gevoel gehad dat er onvoorwaardelijk van hen gehouden is. In september 2003 had ik daar intakegesprek! Er werd me verteld dat ik snel opgenomen zou kunnen worden, omdat ik voorrang kreeg, vanwege de ernst van m’n klachten. De eerste dag weet ik nog goed. Waar ben ik beland, dacht ik. Allemaal gekke mensen, waar ik totaal geen band mee had. En dan de therapeuten, superkrachtige mensen waar ik gelijk bang voor was. De proeffase waar ik nu in kwam, bracht ik door in een redelijk heftige groep en was erg geschrokken van een jongen die een einde aan z’n leven wilde maken. Dat was drama, en geen goed begin. Ik liep vaak heel somber rond, en probeerde m’n angsten onder controle te houden door veel te computeren, wat voor mij al m’n hele leven een manier was hiervoor. Op één avond zag ik het echt niet zitten en ben ik naar een socio-therapeut gegaan, waar ik in huilen uitbarstte. Ik voelde me zo alleen en had ontzettend veel klachten. Ze zei dat het begin moeilijk was en dat ik kleine stappen moest nemen, niet van die grote stappen als die ik gewend was. Ze legde haar arm even om me heen, en toen kon ik er weer tegenaan. Ik had het echt heel moeilijk. Gelukkig kon ik al wel een beetje contact maken met de andere mensen. Zo hoorde ik iemand viool spelen, Janine, en omdat ik zelf zo actief bezig geweest was met muziek, ging ik luisteren en zo trokken we regelmatig met elkaar op. Ook met Salma, een jonge Marokkaanse vrouw die een week later kwam dan ik, kon ik goed opschieten. Haar Nederlands was al erg goed en zij probeerde mij voor de grap het Arabische schrift te leren. Maar ik heb maar één les gehad, want had het veel te druk met gamen op de Playstation…

Ik deelde een kamer, helemaal achterin een lange gang, met drie andere mannen. ’s Nachts lag ik vaak, terwijl ik droomde, in de lucht te schoppen, zo vertelde een kamergenoot van me ooit. En iedere ochtend wekte Marvin, een andere kamergenoot, de hele kamer met Gimme all your lovin’ van ZZ Top, of House of Pain (toepasselijk voor de kliniek, haha) van Deep Purple, op z’n stereo. Als ik alleen op m’n kamer was, zong ik vaak mee met muziek van Toto, die ik had opstaan. En dan hoopte ik dat iemand het hoorde. En ja hoor, een vrouw die tegenover mij een kamer had, had het een keer gehoord, en vond het ontzettend leuk dat ik aan het zingen was geweest. En het voelde echt goed dat iemand positief op me reageerde, want ik voelde me echt een alien.

In de proeffase werden ook nog wat tests afgenomen, die ik natuurlijk binnen zeer weinig tijd af had. Toen de proeffase bijna was afgelopen, was er een gesprek met m’n behandelaren geplaatst op een middag. Op de morgen voorafgaand aan die middag zat ik te gamen en toen kwam ineens m’n behandelaar van de proeffase erg intimiderend naar binnen lopen. Ze was boos. Ik zat weer te computeren terwijl ik nu eigenlijk dat gesprek had, en ze vroegen zich af of ik er eigenlijk wel moeite voor wilde doen! Ik ging met haar mee naar de gesprekskamer, waar een andere behandelaar zat, Anke. Ik vond haar ontzettend krachtig. Ik wist dat ik dat gesprek eigenlijk ’s middags had, maar ik verloor m’n eigen gedachtes en gevoelens in deze, omdat ze zo intimiderend overkwamen, en me gewoon voor het lapje hielden. Ik verloor het vertrouwen in hen, en vervolgens zaagde ik de poten ook onder m’n zelfvertrouwen vandaan (gevaarlijk noemden ze dat), een mechanisme dat ik al m’n hele leven met me mee droeg, en dat was precies wat ze me beschreven toen ik zo wanhopig en in tranen in hun kamer zat. Dit kwam ontzettend binnen en ik had het gevoel dat ze me goed zagen. Ze vertelden ook dat ik ontzettend veel moeite had met boosheid, dat ik bang was de controle over dergelijke gevoelens te verliezen, en dat de behandeling er op gericht was om deze gevoelens in de interactie met anderen te onderzoeken. Ik was ‘een beetje onveilig gehecht’, zoals ze het noemden. Ook was ik erg gericht op anderen, en hoe ze mij behandelen. M’n agressie richtte ik naar mezelf, in de vorm van strenge zelfkritiek. Er werden drie hoofddoelen geformuleerd. ‘Meer vertrouwen in anderen krijgen’, ‘meer zelfvertrouwen krijgen’, en ‘reëel leren denken’, wat ook erg belangrijk was voor mij, omdat ik bizarre gedachten had. Er werd een keuze gemaakt op welke afdeling ze me zouden plaatsen. Op één van de afdelingen zou ik waarschijnlijk té angstig worden, dus werd het een andere. Ik werd ingedeeld in de gemoedelijkste groep die er was, groep 2. En daar was ik ontzettend blij mee. Anke van Brunssum werd m’n hoofdbehandelaar.

De eerste periode was heftig. M’n doelen waren ‘invoegen in de groep’, ‘in de ongestructureerde tijd actief zijn met groepsgenoten’ en ‘gedachtes en gevoelens uitspreken in de therapieën’. Als er iets gebeurde in het contact met m’n therapiegenoten, en ik me terugtrok om oplopende gevoelens te dempen, dan moest ik gaan schrijven. Maar ik was natuurlijk weer het beste jongetje van de klas, en ik ging mezelf nu dwingen om onder de mensen te komen. Dus ik was altijd wel in de woonkamer te vinden. En daar zocht ik de mensen uit om mee te kletsen, die voor mij veilig voelden. Nieuwe mensen stelde ik altijd op hun gemak; met hen kon ik het meestal beter vinden dan met mensen die er al langer zaten, (uitzonderingen daargelaten). In mijn eerste evaluatie vertel ik ook dat ik weer veel te streng voor mezelf ben geweest.

In één van de eerste groepssessies maakte Anke al meteen een rotopmerking, waar ik nog steeds niks van snap, ook al heeft ze hem later nog een keer herhaald. Bij een van de andere eerste sessies, zei ze me, dat ik snel ‘ondergronds’ ging, en dus niet transparant was. En toen ik m’n mening kenbaar maakte in een Patient Staff Meeting (PSM), maakte ze een opmerking over mijn ‘aangepaste gedrag’. Ik voelde me steeds publiekelijk voor lul gezet, en was ontzettend bang voor gezichtsverlies. Na die PSM kreeg ik een ontzettende heftige ruzie met Salma. (Ik had een soort haat-liefde verhouding met haar: het ene moment voelde ik veel liefde voor haar, en het andere moment kon ik haar wel schieten). Toen Anke van dit voorval hoorde, vertelde ze me dat ik eigenlijk boos op háár was, en dat ik het verplaatste naar Salma, die zich even fel als ik verdedigde. Meestal probeerde ik het daarna weer goed te maken, maar het kwam ook voor, dat we bij het goedmaken wéér ruzie kregen, iets waar we nu nog hartelijk om kunnen lachen. Iedere opmerking van een therapeut kwam hard bij me binnen, en interpreteerde ik alsof ik iets fout deed, waarop ik dan keihard m’n best ging doen om precies het tegenovergestelde te doen, om zo aan de eisen van de therapeuten te voldoen.

In de eerste evaluatie beschrijf ik ook dat ik grote twijfels heb over de therapie omdat ik er zo angstig en verward van wordt, maar dat ik me ondanks dit wel al beter voel dan eerst. Ik beschrijf ook dat ik ‘Jesse’ weer zie in de spiegel, in plaats van een alien, en ik hoor ‘Jesse’ weer praten, als ik naar mezelf luister. In de tweede periode zou ik voornamelijk werken aan het uitspreken van m’n gedachten en gevoelens, want er was nog geen verbinding tussen m’n verstand en gevoel. Ook moest ik deze periode gaan ontdekken wanneer ik vanuit het ‘vrije kind’ handelde, en wanneer vanuit het ‘aangepaste kind’ (begrippen uit de transactionele analyse). En ik moest ook contact gaan zoeken met therapiegenoten wanneer het minder goed met me ging. Ik ging ook hier weer keihard mee aan de slag.

Ondertussen maakte ik ook veel leuke dingen mee. Ik kan me nog een vrouw herinneren, die zich constant aan iedereen zat te ergeren. Dit had ik ook regelmatig en ik moest altijd ontzettend lachen als ik dit merkte bij haar, want dan trok ze hele rare gezichten. Eén keer gebeurde er iets, waardoor ze bijna in lachen uitbarstte. Ze verliet snel de huiskamer en ging naar een aangrenzende kamer. Ik rende er achteraan, en in die andere kamer proestten we het uit. Waarop ze van wal stak over wat ze allemaal wel niet vreselijk vond aan sommige mensen. Nog iets leuks was dat ik Salma fietsles ging geven. Marokkaanse vrouwen hebben dat meestal nog niet veel gedaan en zo ook Salma. Ze is vaak gevallen en maakte de zelfde fouten als kinderen doen als ze leren fietsen: niet voor je kijken, en overmoedig worden. Op een gegeven moment kon ze het redelijk goed en ging ze zelf nog wat verder oefenen. Ik zat binnen in de huiskamer, samen met Michael te kijken. En ja hoor, daar kwam ze voorbij, ze zwaaide zelfs, maar dat was iets te veel van het goede, want ze begon toen met één hand met het stuur te wiebelen, en vervolgens maakte ze een harde smakkerd. Michael en ik lagen helemaal dubbel, want het was echt slapstick. Gelukkig had ze niks, en hield het haar niet tegen om nog vaak te fietsen!

Mijn tweede evaluatie is een bijzondere. Ik vertel hoe ik me al een stuk veiliger voel in het contact en er altijd wel iemand is waar ik m’n verhaal kwijt kan. Maar ik richt mezelf ook erg veel op wat de ander van mij verwacht, waardoor ik het gevoel van een ‘eigen ik’ niet lang vast kan houden. Wat de ander van mij verwacht, wisselt ook steeds in m’n hoofd, waardoor ik geen stabiele identeit heb. Ook vertel ik dat ik constant de leukste en de beste wil zijn, en als ik hier geen aandacht voor krijg, ik ontzettend veel boosheid kan voelen naar iemand. En dat ik constant het gevoel heb dat ik het niet goed doe, vooral als ik aanwijzingen krijg. Ik spreek ook mijn boze gevoelens naar Anke uit, die met haar autoritaire houding en haar directheid mij erg kwaad maakt. Ik beschrijf bij het bespreken van deze evaluatie voor het eerst aan haar dat ik allerlei agressieve gedachtes heb naar haar, waarin messen voorkomen. En dit gaf mij ontzettende rust, want ze reageerde hier heel goed op, en dat verbaasde me in eerste instantie. Er vloeiden weer heel wat tranen bij mij. Anke dringt (voor de tweede keer) aan op een systeemgesprek, en dat regel ik dan ook meteen, waarop ik voor het eerst een bevestigend knikje krijg van haar. Ook zegt zij dat ik het de komende tijd erg moeilijk ga krijgen, omdat zij bovenop mij zou gaan zitten (overdrachtelijk), dus dat ik veel steun nodig heb van m’n groepsgenoten.

In het systeemgesprek waren mijn vader en moeder, en mijn broer aanwezig. Mijn zus kon niet op dat moment, wat ik wel jammer vond. Anke beschrijft dat ik weer kan genieten van de dingen, wat lange tijd weg was. In het systeemgesprek begin ik steeds te huilen wanneer het onderwerp op mijn zus komt. Dit is opvallend. Ook ga ik het gesprek aan met m’n moeder, die op sommige momenten dichtslaat, net als wat bij mij in de therapieën gebeurt. Mijn vader zegt dat hij ook perfectionistisch is, waarop Anke zegt, dat hij er waarschijnlijk geen last van heeft. M’n vader zegt dat we wel terug kunnen kijken, maar dat het beter is om naar de toekomst kijken, en daar is Anke het mee eens. Ook hebben we het over mijn woede-uitbarstingen thuis en hoe mijn ouders en broer en zus daar mee om moeten gaan. Anke vertelt dat je dan beter een time-out kunt doen. En dat agressie een grote link heeft met identiteitsproblemen, waar ik zo’n last van heb. Ook zegt ze dat ze denkt dat mijn ouders niet meer fouten hebben gemaakt dan andere ouders. Hier ben ik ontzettend blij mee. Ik vond het een goed gesprek en het bracht de wereld van thuis samen met de wereld van de therapie. Dat was fijn.

Ik kan niet in Anke’s hoofd kijken, maar ze heeft wel verschillende keren gevist naar waar ik nu precies angstig voor was. Of het angst was iemand anders kapot te maken met m’n agressie, of angst dat ik kapot wordt gemaakt door de agressie van een ander. Wat opvallend was, is dat zij in de periode die volgde op de evaluatie helemaal niet de strijd aanging met mij, zoals ze eerder aankondigde. Ik heb lang nagedacht over waar dit aan kon liggen. Maar ik denk dat het te maken had met het systeemgesprek, waarin het opvallend was dat ik steeds moest huilen als we het over Lauren, mijn zus, hadden. Want daaruit bleek denk ik voor haar, dat ik de angst had dat m’n zus kapot ging door mijn agressie. En dan is het logisch dat je niet bovenop iemand kan gaan zitten, omdat die angst in de weg zit. En dezelfde angst om de ander kapot te maken had ik naar mijn moeder, die haar grenzen niet goed verdedigde en snel gekwetst was. Dat werd ook duidelijk in het gesprek. Als ik deze angst namelijk niet had gehad, en alleen maar bang was om kapot gemaakt te worden, dán was het juist goed geweest als Anke mij door bovenop mij te zitten had uitgedaagd, om deze angst te overwinnen. Voor mij is dit wel logisch. In de derde periode ging ik dan ook verder met m’n doelen uit de tweede periode.

Ik ging regelmatig langs de rivier die langs het ziekenhuisterrein liep, wandelen met een paar therapiegenoten, om te ontspannen. Ook ontvingen we wel eens bezoek in het contactcentrum of gingen we daar gewoon wat drinken met een paar mensen. In het contactcentrum zag je mensen van heel het terrein, dus ook van de andere afdelingen, en er liepen veel mensen die ver heen waren. Op een keer zagen we daar een vrouw haar luier verliezen; dat was echt smerig. En we maakten ook contact met Jan, een schizofrene man die het altijd over hogere wiskunde had, en regelmatig vroeg hoe z’n ogen stonden. Ook klopte hij altijd op z’n buik en liet hij zien hoe lenig hij was, door z’n been in de lucht te gooien. Natuurlijk vroegen we vaak of hij dit nog eens wilde laten zien, waarop wij weer lol hadden.

Ook gingen we regelmatig naar de naburige dorpen om boodschappen te doen. Eén keer was ik op de fiets gegaan samen met Vanja, een groepsgenoot, die op skates ging. Ze was zo moe toen we op de plek van bestemming waren, dat ik haar skates aantrok, en zij mijn schoenen, zodat we toch weer terug in de kliniek konden komen. Met Salma ging ik ook wel eens om boodschappen, en één keer was toch wel het hoogtepunt. Ze wilde even een ‘ondermodewinkel’ binnen. En ze vroeg me dan ook steeds een beha vast te houden, terwijl zij een andere aan het passen was. Ik vroeg of ik het resultaat mocht beoordelen, maar helaas liet ze dat niet toe.

Eén keer zou ik gaan skaten met Robin, een groepsgenoot van Salma. Ik leende Vanja’s skates, trok ze aan en ging alvast naar buiten, terwijl zij haar skates aantrok. Het duurde wel erg lang, en net op het moment dat ik terug naar binnen ging om te kijken waar ze bleef, hoorde ik een oorverdovend lawaai. Ik ging snel kijken en toen zag ik haar daar spartelend liggen. Ze had een hele kast met inhoud meegetrokken. Hilarisch was het. Gelukkig kon ze er zelf ook wel om lachen.

In die tijd trok ik ook op met Erik, mijn nieuwe kamergenoot, een man met veel humor, en we zaten dan ook altijd te geinen en te lachen. De sociotherapeuten noemden ons Jut en Jul, en vroegen zich af of het wel verstandig was dat wij met elkaar optrokken, in het kader van de therapie. Waarop Erik en ik de draak gingen steken met die socio’s. Later trok hij ook veel met Salma op, en ik was altijd vreselijk jaloers als Salma hém ook aandacht gaf. Dan voelde ik dezelfde jaloersheid als die ik voelde bij Anne, mijn vriendin van de middelbare school.

In de derde periode zou ik steeds beter leren om m’n gedachtes en gevoelens uit te spreken en te verwoorden. Ik ben hier werkelijk overal mee bezig, zelfs als ik thuis in bad lig. En hierdoor werd ik een stuk minder druk. Wat dat betreft is het een voordeel dat ik zo snel leer. Een sociotherapeute die me een tijdje niet mee had gemaakt, complimenteerde me na een aantal weken dan ook met de grote vooruitgang op dit gebied. Waren mijn verhalen eerst niet te volgen omdat ze zo verwarrend waren; op dat moment vertelde ik duidelijk wat ik had meegemaakt in een weekend, en wat dit voor invloed had op mijn gevoel. Ik was al een stuk bewuster geworden. Ik leerde als het ware om op een directe manier aandacht te vragen, waardoor ik alle indirect manieren niet nodig had, en ik een stuk rustiger werd.

Ook ga ik verder op onderzoek wanneer ik me aangepast gedraag, en wanneer ik me vrijer gedraag. Wat me hier ging opvallen was dat ik me erg aangepast gedroeg als er therapeuten in de buurt waren, en me juist erg vrij voelde bij de mede-patiënten. Ik keek ook op sommige patiënten neer, en ik herinner me één oudere vrouw die bij het kantoor van de socio’s haar schoenen stond te strikken met haar nogal dikke kont in de lucht. Ik liep langs, en ik kreeg een agressieve gedachte door m’n hoofd, om haar een trap te geven tegen die kont. Vanaf die tijd betrapte ik mezelf wel vaker op zulke gevoelens/gedachten., maar dat voelde heerlijk sterk, vooral toen ik dit besprak in therapie, en het gevoel kreeg dat het er mocht zijn. Vanja, mijn groepsgenoot, beschrijft in mijn derde evaluatie dat het vrije kind los is!!! En zo voelde ik dat ook. Ik voelde de kracht langzaamaan steeds hoger gaan zitten in m’n lichaam en ook voelde ik het in m’n hoofd. Doordat ik totaal geen vluchtwegen had, en m’n angsten werden blootgelegd, en tegelijk goede begeleiding kreeg, ontstonden er dus gezonde manieren om met deze angsten om te gaan. Door alles te bespreken, werd ik een stuk rustiger. Over mijn ziekte-angsten en m’n seksuele angsten had ik nooit gepraat in de kliniek, en daar werd ook nooit naar gevraagd, al neem ik aan dat ze daarvan op de hoogte waren. En ik was hier eigenlijk wel blij om, want hoe meer ik ‘mezelf’ ging voelen en m’n kracht, hoe minder ik last had van deze angsten. Seksueel werd ik dus ook sterker. Het kwam dan ook regelmatig voor dat ik fantaseerde over sommige vrouwen die in de kliniek zaten. Ik voelde me steeds minder schuldig als ik dit deed, en daar was ik heel blij mee.

Het was al een hele tijd duidelijk dat de kliniek ging verhuizen naar een nieuw onderkomen in een naburige stad. En de verhuizing zat er dan ook snel aan te komen. Voor de verhuizing deelde Anke mijn groep mee, dat we een andere hoofdbehandelaar kregen, genaamd Desmond Prinsloo, die we al mee hadden gemaakt als psychiater. Dat was even schrikken, omdat ik erg aan Anke gewend was, maar aan Desmond raakte ik gelukkig ook snel gewend, en bovendien zat Anke er bij de groepssessies vaak wel bij. Desmond noemden we de pillenkabouter. Het was een klein mannetje, met een Zuid-Afrikaans accent en hij kwam heel betrouwbaar over. Ik kan me nog heel goed een sessie op de oude locatie herinneren, vlak voor de verhuizing. Desmond vroeg zich af waarom ik m’n boosheid niet makkelijk uitte. Natuurlijk wist hij al dat dat mede kwam door de angst die ik naar m’n zus had, maar deze angst kan er alleen zijn (hier kwam ik later achter) als ik in het contact met m’n ouders het idee heb gekregen dat m’n boosheid niet wordt gezien, of wordt afgekeurd. Dus Desmond had het op uitdagende toon over mij tegen m’n groepsleden. “Waarom zou Jesse zo bang zijn z’n boosheid te uiten? Volgens mij is hij bang dat ie een dreun krijgt!” Ik vond het irritant, maar was in eerste instantie niet echt onder de indruk, en besloot de rest van de groepssessie met een boos gezicht te blijven zitten. Maar het bleef wel in m’n hoofd hangen, toen de sessie klaar was, en ik beneden in de woonkamer zat. Ik besloot Desmond op te zoeken, zodat ik het er over kon hebben en kon zeggen dat ik boos was. Ik ging naar boven, en klopte op z’n deur, maar hij was er niet. Dit heb ik nog drie keer herhaald, maar hij was er steeds niet. Ik durfde niemand te vragen waar hij was, want ik voelde me helemaal niet op m’n gemak. Ik wou het er alleen met hem over hebben, want ik schaamde me hier, denk ik, ontzettend voor, en wilde het er zeker niet over hebben waar mijn groepsgenoten bij zaten. Toen hij er niet was, besloot ik weer verder te gaan met andere dingen en werd ik zo afgeleid door andere dingen die gebeurden en waar ik inbrengen over kon doen, dat ik het vergat en er niet meer op terug gekomen ben…

En toen was het tijd voor de verhuizing. Veel spullen hoefden we natuurlijk niet in te pakken, enkel maar onze tas. En ik reed met een groepsgenoot mee naar het naburige stadje, waar we een paar weken eerder al het gloednieuwe gebouwencomplex hadden bezocht. Toen in de stromende regen, maar nu met prachtig weer. Het complex bestond uit drie woonhuizen, de twee buitenste voor de mensen met persoonlijkheidsstoornissen van de 3 oude afdelingen, en de middelste voor de angst- en depressiegroep en crisisopvang, als ik het me goed herinner. Daarnaast was er een groot therapiegebouw. Het was voor mij een hele kluif om daar te wennen. Er waren zoveel nieuwe mensen. Ik kreeg een kamer voor mij alleen, en daar was ik superblij mee.

En toen werd de kliniek geopend door de koningin. Ik had van tevoren gevraagd waar ze allemaal langs zou gaan lopen, en had me goed voorbereid, zodat ik met m’n camera foto’s kon maken. Vanaf een kamer boven in het woonhuis had ik goed zicht. Maar ook toen zij door één van de woonhuizen liep, was ik binnen te vinden. Volgens mij heeft ze gedacht: wat een fanatiek ventje, met z’n camera. De foto’s liet ik meteen afdrukken bij een 1-uursservice, in tweevoud. Een stapel voor mij, en één voor Salma. En ik kijk de foto’s nog met plezier terug.

De eerste weken in het nieuwe onderkomen liep ik af en toe wel met m’n ziel onder m’n arm, zo vonden mijn groepsgenoten in de derde evaluatie, maar ik probeerde wel te werken aan de contacten, zodat ik me toch veilig ging voelen. Bovendien had ik grote steun van m’n groep en kende ik een hoop mensen van de oude afdeling uit m’n eigen woonhuis, en uit het andere woonhuis. Ik zou me steeds meer op m’n gemak gaan voelen doordat ik alle nieuwe mensen leerde kennen, en ik zou steeds meer durven uitspreken, ook onvoorbereid.

Op een avond moesten we allemaal verzamelen in ons eigen woonhuis. Gerard Stoffels, een man met een hoge functie in de kliniek (ik weet niet meer precies wat), kwam in het woonhuis, en kwam met een vreselijke mededeling. Michael, mijn voormalig groepsgenoot, had zelfmoord gepleegd. Iedereen was in shock… Met Michael had ik vaak kunnen lachen, zeker de laatste maanden dat hij in mijn groep zat, en we hielden soms anderen voor de gek. Hij was in z’n auto gevonden, met een slang aan de uitlaat die hij naar binnen had geleid. Ik was weer verbouwereerd, en ik moest meteen denken aan Chris, mijn vriend van de middelbare school. Ik zocht bij verschillende mensen steun. Veel mensen die hem kenden, huilden. Ik op dat moment niet. Ik bedacht me hoe ver het zo had kunnen komen. Een paar dagen later ben ik samen met Vanja afscheid van hem gaan nemen, terwijl hij lag opgebaard in de aula van de begraafplaats. En toen kwamen het verdriet, veel verdriet. De volgende dag zou het begrafenis zijn, maar ik wilde daar niet naar toe, ik voelde me ook niet verplicht. Ik had mijn moment dat ik bij hem stilstond gehad, en dat vond ik genoeg. En het was nu zaak dat ik verder ging met m’n therapie.

In mijn therapie besprak ik dat ik ook boosheid had naar Chris, en nu naar Michael. Ik had heel diep gezeten voordat ik de therapie begon, maar begrijpen waarom een mens er een einde aan maakt, kon ik niet echt. Waarom vochten ze zichzelf er niet gewoon uit, net zoals ik had gedaan! Ik kom hier nog op terug.

Op een avond kon ik de slaap niet vatten… Ik moest de hele tijd aan m’n zus denken. Het voelde heel benauwend en heel belangrijk, alsof ik bij de bron van alles was. Ik ging naar beneden en ben gaan schrijven. Over dat ik mezelf vast voelde zitten aan haar. Dat ik me los wil ontwikkelen van haar, maar dat dit me vreselijk angstig maakt. Een belangrijk onderdeel van je apart van iemand ontwikkelen, is dat ook je negatieve gevoelens (agressie bijvoorbeeld) naar die persoon er mogen zijn. Ik voelde zoveel liefde voor haar, maar ook zoveel haat, en angst naar haar. En een ontzettende tweestrijd, want ik was ontzettend bang haar kapot te maken, als ik m’n eigen weg ging. De volgende dag heb ik hetgeen ik opgeschreven had, meegenomen naar de groepstherapie. Desmond en Anke begonnen me vragen te stellen als: “Wat zou je met haar willen doen?”, waarop ik zei: “Ik zou haar …. eh… wel onder het bed willen schuiven” (dat kwam er heel onhandig uit, en het sloeg ook nergens op), waarop Desmond en Anke zeiden: “Ik denk dat je wel meer met haar wilt doen!” en ze stimuleerden duidelijk m’n agressie naar haar. Hierna werd de weg opengebroken voor de grote verandering. Ik ging actief bezig met het in fantasie uitleven van mijn agressie op mijn zus. Wanneer ik haar in m’n hoofd voelde (en dat was erg vaak), dan blies ik mezelf op en ging ik in fantasie te keer. Later vertelde ik in therapie tegen Desmond, dat ik m’n ouders ook voelde zitten in m’n hoofd. Waarop Desmond zei dat ik m’n agressie naar hen ook kon toelaten. M’n ouders stonden tegenover me (dus niet achter me) voor m’n gevoel, en m’n zus naast me. Van m’n broer had ik niet veel last in m’n hoofd. Voordat ik tot deze verandering overging, hebben m’n behandelaren zich wel afgevraagd of ik fantasie en realiteit van elkaar kon onderscheiden, en dat kon ik! Anders mag je iemand niet tot dit soort gedrag aanzetten, heel begrijpelijk! Er volgde een lange periode van rouw. Want ik was nu los van m’n zus, en dit voelde ontzettend eenzaam. Ook had ik me nu dus bevrijd van m’n eigen ‘kritische ouder’, ook een begrip uit de transactionele analyse.

De persoonlijksheidsverandering was niet het enige resultaat van de therapie. De afgelopen maanden had ik namelijk ook een enorme gedragsverandering ondergaan. Zoals ik al eerder zei, ging ik obsessief met alle gekregen kritiek aan de slag, en zorgde ik er voor dat ik precies aan de verwachtingen van de therapeuten voldeed. Ik had dus enerzijds m’n onaangepaste gevoelens omarmd, en leefde ze keihard uit in fantasie. En anderzijds had ik me leren aanpassen aan de therapeutische omgeving met z’n therapeuten en cliënten, zodat ik gewoon in contact kon zijn (terwijl ik de agressie intern uitleefde), inbrengen kon doen, feedback/kritiek kon verdragen, reëel kon denken, maar zelf ook erg goed feedback/kritiek kon geven, zonder iemand te veroordelen. Ik had m’n agressie dus als het ware leren hanteren! En bovenal kon ik weer ten volle van het leven genieten, wijdde ik m’n angsten niet meer aan de mensen om mij heen, maar aan een trauma in m’n jeugd, en had ik een duidelijke seksuele identiteit, kortom: een zeer stevige basis!

Maar iedere keer wanneer ik m’n agressie uitleefde in m’n hoofd, kwam er een golf van angst over me heen. Een ongerichte angst. Dit besprak ik in een groepssessie. Toen heeft Anke gevraagd waarvoor ik dan precies bang was. Of het angst was om niet gezien te worden, of was het angst dat andere mensen mijn boosheid afkeurden! Wat er toen gebeurde was erg belangrijk. Ik voelde bij het woordje ‘afkeuring’ een grote angst, en in plaats van dat ik deze angst beschreef, ging ik er aan voorbij, ik vocht er tegen, en zei: “Nee! Het is angst om niet gezien te worden.” Ik ontkende het, en in het ‘niet gezien worden’ herkende ik me tenslotte óók erg! Bovendien schaamde ik me en dacht ik onbewust dat Anke en de groepsleden teleurgesteld in me zou zijn als ik vertelde over deze afkeuringsangst. Ik deed me sterker voor dan dat ik was. Maar waar het nu om gaat, is dat deze woorden naast eerdere gedachten van Anke en Desmond over mij, bepalend zijn geweest of ik een vervolgtherapie moest gaan doen in deeltijd. Dat vertelde Anke ook: als ik angst had voor afkeuring, dan was ik klaar met mijn therapie. En als het puur angst was om niet gezien te worden, dan stuurden ze me graag door naar de deeltijd-vervolgtherapie. Maar dit ging bij mij allemaal zo onbewust, dat ik hier totaal niet bij stilstond. Ik dacht ook niet terug aan de keren dat ik bij Desmond aan zijn deur klopte, wat eigenlijk om dezelfde grote vraag draaide. Bovendien wilde ik van die angst af, dus ik was nog niet klaar voor mijn gevoel en zag de vervolgtherapie dus wel zitten, niet wetende dat dit m’n ondergang zou worden. Maar het zou pas jaren later worden, dat ik me deze belangrijke sessie weer zou herinneren…

Ik heb tijdens m’n hele therapie leuke dingen meegemaakt, vooral de laatste maanden. Bij een psychomotorische therapiesessie bijvoorbeeld, daagde Jos, de therapeut, mijn groep uit. Hij beschreef hoe ziek wij waren, en noemde ons patiëntjes. Ik zei hier iets van, waarop hij zei: “Maar het is wáár!!!” Het raakte mijn kwetsbare deel van m’n ziekte-angsten, en ik was gekwetst en toen de sessie bijna ten einde was, mochten we vrij doen wat we wilden (kussengevecht!!!), waarop ik een kussen pakte en me volledig op Jos richtte. Ik heb nog nooit iemand zó bewerkt, en na afloop stak ie een grote duim naar me op! En ik kon tevreden zijn.

En nog iets leuks in de laatste maanden was het volgende: Na een week hard werken was het op vrijdagmiddag tijd om naar huis te gaan. Bas, een groepsgenoot, zette mij altijd af bij een metrostation in de stad. De zomer was volop aan de gang; vaak was het mooi weer, en reden we met de ramen open. Onderweg luisterden we dan het album Eye in the Sky van Alan Parsons Project. Op een gegeven moment kenden we de tekst wel uit ons hoofd en zongen we alles mee. Het was op en top genieten! En dat mocht ook wel, na een zware week. Met Bas reed ik die zomer ook een aantal keer op de fiets naar een vestingstad, dichtbij de stad waar de kliniek was. Daar aten we dan een ijsje en liepen we een beetje rond, om daarna weer terug te fietsen naar de kliniek, op topsnelheid. Hoe ik me voelde, was een wereld van verschil met vóór de therapie. Het waren twee uitersten. Op zulke momenten had ik totaal geen angst, en kon ik intens genieten. Ik voelde me krachtig, ik had uithoudingsvermogen, was niet snel moe en maakte veel lol. Het was een zeer mooie tijd en ik voelde me beter dan ooit!

De vierde evaluatie was ook mooi, maar het was ook de laatste evaluatie, dus dat was ook verdrietig. Want ik zou de therapie moeten afronden. De laatste periode had ik me vooral op het contact maken met iedereen om me heen gericht, en ik had me georiënteerd op een vervolgbehandeling, die aansluit op mijn therapieproces. Deze zou ik volgen op de psychologische deeltijdbehandeling van de GGz in een stad dichterbij huis, dezelfde stad als waar ik op school had gezeten, en waar ik eerder was gediagnosticeerd. Ik had voor een maand later m’n intake staan, bij Eelco de Smet, die mij eerder naar de klinische behandeling had doorgestuurd.

Een groot compliment in mijn evaluatie kwam van de drama- en creatief therapeut Dinah, die mij zo’n drie maanden had meegemaakt (vanaf de verhuizing). Zij beschreef dat ik in de dramatherapie in korte tijd geschiedenis had gemaakt. “Luidruchtig, speels, een clown, nadoen, aandacht trekken en overacteren, maar ook stil, naar binnen, geraakt, onderzoekend, en de durf om echt kwetsbaar te zijn. Het is allemaal Jesse en het mag er allemaal zijn.”

En toen brak de laatste week aan van mijn therapie in de kliniek. Anke complimenteerde me in een Patient Staff Meeting (waar heel het woonhuis bij zat), hoezeer ik veranderd was: aan het begin van de therapie was ik zo ontzettend met mezelf bezig, en nu was het precies het tegenovergestelde: ik was ontzettend veel met anderen bezig, en ze vond dat een kwaliteit. Het was heel fijn, die laatste week, maar ik was ook een beetje down, omdat ik de kliniek ging verlaten. Ik weet nog goed dat Anke zei: “Geniet ervan.”

In de laatste muziektherapie luisterden we naar de cd die mijn groep voor me had gemaakt. Ze hadden ieder een nummer uitgekozen. En het was erg mooi. Na alles geluisterd te hebben, was er echt zo’n veelzeggend verstild moment. Heel mooi. Maar ook eng. Gerna, de therapeute, vroeg of ik nu zo nog even een paar minuten wilde zitten en genieten van het moment? Maar ik zei “nee!” Ik rende naar het drumstel en ging nog effe voor de laatste keer tekeer, en de groepsleden gingen staan en dansten op het ritme! En toen nam ik afscheid van Gerna met drie zoenen, want ook aan haar was ik behoorlijk gehecht geraakt.

Anke gaf me in de laatste groepssessie een steentje, dat ze op haar vakantie op het strand had gevonden. Ze noemde het ‘de steen der wijzen’. De steen had twee verschillende kanten en ze had daar een beschrijving bij. De ene kant van de steen was heel gaaf, en onaangetast en symboliseerde, zo zei ze, het feit dat ik me niet liet raken in het contact met anderen. Dat was vóór ik de therapie daar begon. De andere kant van de steen was ruw en aangetast en symboliseerde dat ik me nu, na de therapie, wél liet raken in het contact met anderen. Ik heb deze steen nog lang bij me gedragen in m’n portemonnee. Ik moest me, vooral in de vervolgtherapie die op het programma stond, laten raken, want dat was goed voor de verdere ontwikkeling. En ik heb hier vaak aan teruggedacht. Ik vond het een ontzettend lief aandenken. Mijn groepsgenoten maakten nog een foto van mij, samen met Desmond en Anke. Ik voelde dat Anke trots naar me keek, maar ik durfde niet terug te kijken, van zo dichtbij. Na de therapie ging ik op m’n kamer afscheidskaarten schrijven voor iedereen en voor een aantal therapeuten. Plots werd er op de deur geklopt, en daar stonden Anke en Desmond. Anke vertelde dat ze er morgen, de dag van m’n afscheid, niet zou zijn, dus ze wilde nu afscheid nemen. Ik vroeg of ze nog even kon wachten, dan kon ik nog een kaartje schrijven. Ik schreef snel een tekst waarin ik vertelde hoe veel angst ik voor haar had aan het begin van m’n therapie, en hoe vrij ik me nu voelde, en dat dat echt een wereld van verschil was, en dat ik haar dan ook erg dankbaar was. Ik ging naar haar kamer, en gaf haar de kaart. Ze was er blij mee, we praten nog even, en ze kreeg drie zoenen van me. Het was een mooi afscheid.

Die avond hadden m’n groep en ik ons eigen feestje! We aten apart van de rest, en zo konden we uitgebreid afscheid nemen. Ik kreeg een kadootje van de groep: vier gekleurde t-shirts. Want ik had altijd zo’n saai wit t-shirt aan omdat ik me altijd iemand anders voelde als ik andere kleding aantrok. Ze hoopten dat ik nu wat minder bewust zou zijn, zodat ik ook eens iets anders aan kon doen. En dat deed ik. De volgende dag, de dag waarop ik afscheid nam, had ik een felgroen t-shirt aan, en ik toonde deze nog maar eens goed aan Desmond, toen ik hem opzocht om afscheid te nemen. Hij gaf mij de verwijsbrief voor Eelco de Smet, ik zag voor het eerst m’n volledige diagnose en moest even slikken, maar ik herkende me er erg in. We praatten nog even, ik gaf hem m’n afscheidskaart en toen gaf ik hem een stevige hand!

De rest van de dag was erg bijzonder. Ik had van mijn groepsgenoten, die allen gekleed waren in een zwarte broek met een wit t-shirt een boekje gekregen in de vorm van zo’n zelfde zwarte broek en een wit t-shirt. In dit boekje stonden afscheidsteksten van ieder groepslid én foto’s, en een tekst met foto van m’n behandelaren Desmond en Anke, dat ze trots op me waren, en dat ik m’n ‘steen der wijzen’ bij me moest dragen. Ook kreeg ik een boekje met afscheidsteksten van sommigen van mijn kliniekgenoten, ook uit het andere woonhuis. Deze koester ik nog steeds, het is een prachtige afsluiting van een prachtige tijd. Ik werd die dag opgehaald door mijn vader, moeder, en oma, en dat voelde erg vertrouwd. Ik gaf iedereen die buiten stond om afscheid te nemen, een knuffel. En toen liep m’n groep met mij mee, de oprijlaan af, naar onze auto. Een laatste groepshug en veel gezoen, geknuffel en handen. En toen ben ik samen met mijn familie weggereden naar mijn woonplaats.

In afwachting van mijn vervolgtherapie zat ik nu zo’n vier weken thuis. En ik deed maar een paar dingen: laat opstaan, harde muziek luisteren en keihard meezingen. Ik was vaak kwaad, en vond alles wat mijn familie zei, onzin! Ik was voor hen niet leuk om mee samen te leven, maar het kwam ook wel erg dichtbij, zo thuis leven met m’n familieleden, voor wie ik zoveel haat voelde, hoewel ik diep van binnen ook veel van ze hield. Anke had in één van de laatste weken, toen ik vertelde dat ik vaak zo boos was op m’n familie, gezegd: “Doe het niet! Ze doen zo ontzettend hun best voor je!” Maar het was zo’n structuurloze leegte, toen ik ineens weer thuis zat, dat ik me erg opblies en weinig liefde kon tonen voor ze. In de kliniek was ik de laatste weken ook vaak kwaad, maar daar kón dat, voor m’n gevoel, thuis niet, en dat versterkte de angst en de woede…

De deeltijdbehandeling
2004-2005

De deeltijdbehandeling zou beginnen met een psychologisch onderzoek: verschillende gesprekken met therapeuten en psychiater van de deeltijd. Maar ongeveer een week voordat deze gesprekken zouden plaatsvinden, liep het thuis uit de hand. Ik ergerde me aan m’n moeder, en m’n vader verdedigde m’n moeder, door mij een agressieve reactie te geven, waardoor ik ontzettend kwaad werd op hem en er wederzijdse scheldpartijen ontstonden, waarop m’n moeder tegen mij zei: “Timeout, timeout”, waardoor ik het gevoel kreeg dat ik bestraft werd als een klein kind voor mijn boosheid, en m’n vader mij straffeloos alles maar kon flikken. Uiteindelijk heb ik lang gehuild. De slimmen onder u moeten bij de eerste zinnen van deze gebeurtenis misschien denken aan het stukje wat ik eerder schreef, over mijn seksuele fantasieën. Ik citeer mezelf: Steeds wanneer ik aan m’n vriendin dacht, seksueel, kwam een man om de hoek kijken in m’n hoofd, die me alle lust ontnam en me bang maakte. … Later blijkt dit model te staan voor wat ik mee heb gemaakt in de relatie met m’n ouders.’ De parallellen zijn natuurlijk treffend. Later kom ik hier nog op terug.

Eelco de Smet, die mij destijds had doorverwezen naar de kliniek, kon mij nog wel herinneren van het vorige jaar. Hij herinnerde vooral dat ik me constant zo verbeterde als ik iets fout zei. Hij vond dat ik erg veranderd was, en het voelde goed, dat iemand dat zag, want ik had daar tenslotte ook keihard aan gewerkt. Ik vertelde heel open over mijn therapie in de kliniek, dat ik het daar vooral had gehad over m’n zus en het trauma dat ik naar haar had opgelopen. Ook hadden we het over seks en liefde. Hij opperde dat dat voor mij misschien twee dezelfde dingen waren. Ik was het daar niet mee eens, maar later ben ik hier van teruggekomen. Ik zag het op dat moment inderdaad als twee dezelfde dingen. En wat ook ter sprake kwam, was dat ik veel seksuele fantasieën had over vrouwen (die hij SM-achtig vond), maar dat ik het intieme van seks maar vies vond. Het was een erg fijn gesprek, en ik voelde me erg gezien.

Ook was het de bedoeling dat ik voordat de therapie echt begon een kort levensverhaal ging schrijven, zodat de therapeuten iets van m’n geschiedenis wisten. In dit korte levensverhaal vertel ik over hoe ik als kind was, en welke ontwikkeling ik in de kliniek heb doorgemaakt. Aan het eind vertel ik dat het belangrijk voor me is dat ik onafhankelijk ben, de ander zie, en dat ik postieve en negatieve gevoelens in één persoon zie. En Eelco kon mij hier wel mee helpen. Ik had dus veel vertrouwen in de therapie. Ook had ik een gesprek met één van de sociotherapeuten, Karin, over mijn dagelijkse bezigheden. Ook bij haar had ik toen het gevoel dat ik erg gezien werd. Met de psychiater Lieve die daar aan de deeltijd was verbonden, had ik ook een gesprek. Wat me daar het meest van bijbleef, is dat zij vroeg of ik geslagen werd vroeger. Dit was even schrikken voor mij, want dat had in de kliniek nog nooit iemand zo direct aan me gevraagd. Ik antwoordde bevestigend, en op de vraag wie dat het meest deed, heb ik geantwoord dat ik dat niet zo wist. Ik vond het erg eng om hierover na te denken. Ook haar vertelde ik over m’n agressieve fantasieën, die me erg krachtig deden voelen, en waar ik ook erg trots op was. Sommige mensen vragen zich af, waarom ik trots was op agressieve fantasieën, “dat is toch niet iets om trots op te zijn”, maar voor mij was het totaal nieuw om deze gevoelens te voelen, die er nooit mochten zijn, en voor mij was het dus een grote stap in mijn ontwikkeling, want ieder mens heeft z’n agressie nodig, weliswaar bij de meesten in gecontroleerde vorm (maar dat wist ik toen nog niet), maar toch! Het zorgt ervoor dat je opgewassen bent tegen aanvallen, het is je verdediging. Het is je ‘eigen gevoel’, je ‘eigen kracht’, de passie in je lichaam, je kunt er op terugvallen als je je slecht voelt, en het zorgt er voor dat je overeind blijft als iemand je aanvalt. Het zorgt ervoor dat je opgewonden kunt worden over iets, of seksueel gezien. En we hebben natuurlijk eerder in mijn levensverhaal kunnen zien, wat er gebeurt als deze gevoelens er niet mogen zijn.

Als laatste had ik een systeemgesprek met m’n ouders en Tineke, een andere therapeute. Met in m’n achterhoofd de uit de hand gelopen gebeurtenis van een week eerder, zei ik: “Ik ben bang voor m’n vader, en hij is bang voor mij.” Tineke kwam op het onderwerp van ‘grenzen’. Of die er bij ons thuis waren geweest, en hoe mijn ouders het vonden om deze aan te geven naar mij. Mijn ouders antwoordden dat ze dat altijd moeilijk hadden gevonden. Ik brak in en zei: “Er waren zeker wel grenzen!” waarop Tineke zei: “Ja, dat snap ik dat jij dat zegt!” Ik kreeg toen het gevoel dat mijn ouders gezien werden als hulpeloze ouders, en ik als de knaap die de boel terroriseerde met z’n zogenaamd onbegrensde persoonlijkheid. Ik proefde geen enkel besef bij haar over welke therapie ik het afgelopen jaar in de kliniek had gevolgd, en met welke trauma(‘s) ik had afgerekend.

In de tijd die volgde zou ik steeds meer angst gaan voelen voor de therapeuten daar, die heel nep, onkundig en bekrompen op me overkwamen. Ik startte mijn therapie in de instroomgroep, die enkele weken duurde. Ik raakte gewend aan mijn therapiegenoten, en aan de therapeuten. Maar voor mijn gevoel zat iedereen veel dichter op elkaar, dan in de kliniek het geval was. Ik sprak in één van de eerste weken al uit naar de sociotherapeuten dat hun gedrag me angstig maakte. Ze waren namelijk heel controlerend, in tegenstelling tot de therapeuten in de kliniek. Ze bleven controlerend naar mij, en ook naar anderen, maar ik voelde me op zich wel gesteund, want ze wisten me gerust te stellen, ook al had ik geen idee wat er ging gebeuren.

Er zat wel een leuk meisje in de instroomgroep, en ik probeerde indruk op haar te maken. Hier was zij zich van bewust en ze liet wel eens doorschemeren, dat ze het wel opmerkte dat ik flirterig was. Dit voelde voor mij als een aanval, ook al bedoelde ze dat helemaal niet zo, maar ik had, mede door de controlerende houding van de therapeuten, het gevoel dat ze heel ontevreden over me was. Maar gelukkig werd ik gerustgesteld door Brenda, de psychomotore therapeut.

Ik stroomde na enkele weken door naar de heden&verleden groep, de groep die het beste geschikt was om aan je identiteit te werken, volgens Eelco. Wat me bijbleef van deze eerste periode was dat de therapeuten wel af en toe de richting aangaven, welke ik op zou moeten gaan. Miranda, de creatief therapeute vroeg zich af waarom ik zo vocht tegen m’n angst: “Waarom laat je het niet gewoon over je heen komen?!” Ze vertelde ook dat ik nu doorsloeg, en het de bedoeling was dat ik een middenweg ging bewandelen, maar wel met behoud van m’n kwaliteiten. Althans, dat is wat ik er nu, als ik er op terugkijk, van begrijp. Maar op dat moment dacht ik dat ze iets anders bedoelde en dat voelde als afwijzing. Maar ik stelde geen vragen want ik bleef toch wel overeind. Ik zou me de komende tijd nog veel meer afgewezen voelen. Eén keer moesten wij bij psychomotorische therapie een plek uitzoeken in de zaal en was ik bovenop een kast gaan zitten, met wat kussens om me heen. Toen vroeg een groepsgenoot of ze een kussen van me mocht, waarop ik ‘nee’ zei. Toen kreeg ik een opmerking van de therapeute dat ik niet aardig was (móet dat dan?) en dat ik expres een hoge plek had uitgezocht om me veilig te voelen (logisch, als ik me nog niet op m’n gemak voel). Als dit in de kliniek was gebeurd, dan had ik een compliment gekregen dat ik prima bij mezelf was gebleven door de kussens niet af te geven en een veilige plek te zoeken, maar blijkbaar mocht je je hier niet veilig voelen en moest je altijd aardig doen, dit was tenminste m’n interpretatie. Als ik gebeurtenissen als deze in de sociotherapie besprak, en zei dat ik me miskend voelde, dan werd er gezegd: “Ik denk niet dat je je miskend voelt, ik denk dat het gewoon confronterend is wat wij zeggen,” waarop ik mij vervolgens weer miskend voelde. Ik probeerde alle angst, die aardig opliep, maar over me heen te laten komen.

In de eerste evaluatie beschrijf ik dat ik veel geconfronteerd ben, en dat ik ontzettend bang ben geweest om boos te zijn. Ik beschrijf hoe ik me klem heb voelen zitten tussen m’n zus en broer. En ik beschrijf dat ik m’n spanningen er thuis nauwelijks nog destructief uitgooi, en dat ik keihard bezig ben om activiteiten op te bouwen. En ik vertel dat ik ‘controle’ niet langer als een fout iets zie (maar dat was voornamelijk om het controlerende gedrag van de therapeuten goed te praten). Eelco beschrijft dat mijn gedrag samen te vatten is in een symbolische medaille met twee kanten: ik kan mensen aan de ene kant ontzettend idealiseren, en aan de andere kant kan ik ze flink devalueren (niet op waarde schatten). En dat herkende ik wel. Ook krijg ik te horen dat ik vooral ondeugend moet gaan zijn de komende periode en dat klinkt me als muziek in de oren. Alleen zou dat me weinig gaan lukken…

Wat me van de tweede periode bij is gebleven is dat er een enorme confrontatie was. Eelco confronteerde mij met het feit dat ik me obsessief op activiteiten aan het storten was en dat ik daarbij over m’n grenzen ging, waarop ik in één klap van alles doen naar niks doen ging. Ik was bang niet te voldoen, en stopte dus met de activiteiten, ik werd weer passief, ondanks pogingen van een sociotherapeute om me weer actief te krijgen: “Maar je gaat er je zo trots van voelen!! Doe het toch!” Maar voor mij zat er niks tussen alles en niks, zo zat ik nu eenmaal in elkaar. Bovendien kon ik op dat moment alleen nog maar huilen, waarop Eelco mij op het hart drukte, dat mijn grenzen serieus zouden worden genomen. Ik bracht in de groepssessies in dat ik erg bang was voor Eelco. Ik deed inbrengen over identiteit en spontaniteit en vertelde dat als ik boos op m’n moeder was en dat ik, als m’n vader hier iets van zei, alles vervolgens naar m’n vader richtte! De tijd die volgde, ontdekte ik nog meer over hoe ik in elkaar zat.

Na de therapie liep ik regelmatig naar het centrum van de stad, om in het café van V&D wat te gaan drinken. Dit was altijd wel fijn. Op een keer zat er een mevrouw met een tweeling een tafeltje van mij vandaan. We raakten aan de praat. Op een gegeven moment vroeg ze me wat ik deed in het dagelijks leven en ik vertelde haar over m’n therapieën. Ik vertelde dat ik ook tweeling was. En ze was erg aardig. Op een gegeven moment wilde ik wat verder vertellen, en ik vertelde dat bij mij het tweeling-zijn voor een trauma had gezorgd. En wat ze toen antwoordde, daar schrok ik van, en zette me aan het denken. Ze zei: “Maar dan zijn je ouders misschien in de fout gegaan.” Dit was ongeveer het ergste wat je tegen mij kon zeggen. Want zeggen dat iemand iets fout heeft gedaan, was erger dan iemand ontzettend haten, in mijn beleving. Ik haatte op dat moment m’n ouders, maar ik hield me voor dat ze niet meer fouten hadden gemaakt dan andere ouders. Dat was tenslotte wat Anke van Brunssum zei in het systeemgesprek met m’n familie en mij. Bovendien had ik in de kliniek therapie van Gerna, de muziektherapeute, geleerd om niet te praten in termen van ‘jij hebt dit fout gedaan’ en ‘jij hebt schuld hieraan’ maar beter in termen als: “hoe was dit voor jou?!” En “zó was dit voor mij!”. Deze gebeurtenis in het café was voor mij eigenlijk de opstap om helder naar m’n ouders te kijken (ondanks alle haat), en te verwoorden wat ik vond dat ze fout hadden gedaan, en geloof mij: dat beeld kwam niet overeen met wat Anke en Desmond al die tijd hadden gedacht over mijn familie, en wat haar deed besluiten om mij door te sturen naar de deeltijd. Op een avond, was ik weer boos op m’n ouders en toen heb ik het verwoord naar hen; m’n broer was er ook bij. Ik vertelde dat ik boos was dat m’n vader altijd erg agressief reageerde als ik boos was, en ik was boos op m’n moeder omdat ze hier altijd bij stond te kijken en niet ingreep als mijn vader zichzelf te buiten ging. Dit was ontzettend moedig van mij, maar ik kreeg niet de gewenste reactie, en mijn broer nam het zelfs op voor m’n ouders. In therapie heb ik er niet over gesproken, omdat ik de afgelopen tijd niet de indruk had gekregen dat het beloond werd in deze therapie, als je iets negatiefs zei over je ouders. Ik was tenslotte die knaap die zo boos kon worden, en ik moest me inhouden en niks negatiefs zeggen. Had ik toen maar verteld wat ik wist, maar ik kon het gewoon niet, de druk van de groep en de therapeuten was voor mijn gevoel gewoon te groot, waarop ik het weer wegstopte en vergat.

De hele tweede periode liepen m’n agressieve fantasieën op, vooral naar Eelco, maar daar werd zo weinig aandacht aan geschonken dat het steeds verder opliep. Ik was erg achterdochtig. Ik kon het daar niet kwijt, want dit deel van me werd totaal genegeerd, en dit zorgde er voor dat m’n hoofd bij m’n tweede evaluatie bijna ontplofte. Aan de buitenkant gedroeg ik me echter netjes. En net op dit moment vertelde Eelco mij dat ik zo graag écht contact wil voelen, en m’n agressieve fantasieën dit contact kapot maken. Ik ging verbaasd naar huis, dit had ik nog niet eerder gehoord, en eer ik thuis was begon er iets raars te gebeuren in mij. Ik voelde mezelf verslappen… In de plaats van de fantasieën, kwam Eelco in m’n hoofd die ik steeds maar weer hoorde zeggen: “je agressieve fantasieën maken intiem contact kapot!” En intiem contact was nu juist mijn grootste wens op dat moment. M’n agressie begon te zakken, ik voelde dat de enorm opgelopen krachten langzaam naar beneden trokken in m’n lichaam. Ik probeerde er tegen te vechten, maar het lukte gewoon niet, want Eelco was dáár, in m’n hoofd. Ik vond het vreselijk. Ik ging me steeds zwakker voelen en voelde m’n seksuele identiteit veranderen, tegen m’n zin. Want in mijn agressie kon ik me met mannen identificeren, maar nu ik m’n agressie klaarblijkelijk aan het loslaten was, uit overleving, leek het wel alsof ik me steeds vrouwelijker ging voelen. Ik was totaal in de war en deed veel inbrengen over m’n seksualiteit en hoe mijn ouders thuis op mij reageerden als ik boos was. Ook vertelde ik dat mijn vader agressief naar mij kon worden, waarop Eelco zoiets zei als: “Hij was onhandig!” Ik was op dat moment ook bang dat m’n voor mij ontzettend waardevolle vermogen om opgewonden te raken van vrouwen steeds verder zou verdwijnen door de therapie, waarop Eelco zei: “Vrouwen kunnen ook heel boos worden hoor!” waarop ik het gevoel had dat ik nergens meer veilig was en nog verwarder werd. Ik had totaal niet meer het gevoel dat ik enige controle had over anderen, de angst liep op, en de dwang kwam langzaam terug. Zou ik me net zo gaan voelen, als vóór dat ik met de therapieën begon…? Ik schrok hier zó van, dat ik al m’n vechtlust in m’n lichaam bij elkaar schraapte en keihard naar boven probeerde te duwen. Ik blies me vreselijk op, maar het lukte niet om agressief te fantaseren. Ik werd razend!! En voelde het jagen, nu dus niet in mijn hoofd, maar door heel m’n lichaam. Maar wist totaal niet wat hier mee te doen. M’n hoofd werd volledig gevuld met agressie, maar het was niet de gebruikelijke grenzeloze razernij, nee, het was gecontroleerde agressie. En toen zeiden de therapeuten op de therapie ineens: “Nu mag je boos zijn!!’. Toen werd ik van binnen nóg razender, want ze hadden me volledig besodemieterd, door mijn boosheid in de afgelopen periode totaal te negeren en totaal niet te bevestigen. Als ik nu m’n boosheid zou uiten, zou ik beoordeeld worden door de therapeuten of ik het goed deed, dacht ik!! Ik zou een reactie kunnen krijgen, en daar was ik nu juist zo bang voor. Want het zou toch geen effect hebben, ze zouden me toch niet serieus nemen, want het voelde alsof ZIJ mij bestuurden, alsof ze met me speelden, als roofdieren met hun prooi. Ik voelde me een figuurlijke speelbal!! Het hoefde voor mij niet meer en hield alles binnen. Eelco zei op dat moment dat ik gevaarlijk was! Verschillende keren drong hij aan om te delen wat ik voelde, maar ik vertikte het.

Maar hoe langer ik m’n boosheid binnenhield en hoe meer er in therapie gebeurde, hoe meer rare gevoelens ik begon te krijgen. Het was toen zomer 2005, en m’n zus had de tent opgezet in de tuin, om daar in te gaan slapen, voor de lol. Ik zou dan voor de gezelligheid ook in de tent slapen. Het was eens wat anders dan saai in je bed liggen. En onder andere die avond had ik waanachtige ideeën. Ik had weer de waan alsof ik een vrouwenlichaam had, heel overweldigend, en ik was er van overtuigd dat ik die sekseveranderende operatie dan maar moest ondergaan, dan zou ik me vast beter gaan voelen. Het wond me zelfs op als ik daar aan dacht. En toen ik dit inbracht in de therapie, moest ik weer veel huilen en Eelco zei dat ik bijna psychotisch werd, maar blijkbaar had hij nog goede hoop dat ik me daar wel uitvocht. Ik had versmeltingsangsten (alsof ik samensmolt met sommige van mijn ‘interne objecten’, die ik eerder nog zo op afstand wilde houden met m’n razernij), en hij zei ook dat hij duidelijk het verschil wou aangeven tussen Lauren en mij, dat we twee verschillende personen waren, en dat ik niet met haar in de tent had moeten slapen. Alsof het verdomme aan mij lag dat ik die angsten had! Bovendien was het voor mijn gevoel niet m’n zus waar ik mee samensmolt in m’n hoofd, maar m’n moeder! Ik moest voor m’n gevoel zo zijn als zij, van de therapeuten. Ook had ik homoseksuele gevoelens die ik niet wilde, want tegelijkertijd vond ik mannen helemaal niet interessant. Voor mijn gevoel moest ik van die therapeuten homo zijn, en vrouwelijk. Ik probeerde nog steeds op de therapie te vertrouwen: als ik door zou gaan, zou het vanzelf beter worden, want stoppen was geen optie: dan zou ik namelijk iedereen over me heen krijgen dat het niet verstandig was. Ik beschreef in m’n derde evaluatie heel aangepast wat er allemaal gebeurde, en ik schreef over wat ik dacht dat Eelco wilde horen: dat ik die vrouwelijke en homoseksuele gevoelens steeds beter kan toelaten (hoewel ik het niet wilde, en het voelde alsof de therapeuten hier verantwoordelijk voor waren). Maar ik beschreef ook dat ik me erg slecht voelde en dat ik veel last had van angst en dwang. Maar steun kreeg ik totaal niet voor m’n gevoel. Ik voelde me zó waardeloos en het enige wat Eelco de Smet zei, was: “De dwang is wel toegenomen, maar dat zijn onvolwassen mechanismen!” Ook zei hij: “Het is de bedoeling dat je veel gaat doen, anders zit je hier volgend jaar nog!” Ik voelde me misbruikt en ik durfde het niet te zeggen, zó ontzettend machtig voelden die therapeuten. “Je maakt ons wel erg machtig!” zeiden ze wel eens, maar daar kon ik niks aan doen, dat zat gewoon in m’n ‘blauwdruk’, m’n systeem. Ik voelde dat ze me probeerden te pushen om mijn boosheid te uiten. Eelco zei: “Je bent nu niet meer bang om gecontroleerd te worden!” Met andere woorden: wat let je nog om je boosheid te uiten… Enerzijds keek ik nu ontzettend op ze neer, anderzijds had ik nog steeds hoop. Dus ik ging door. Ik liep echt over van boosheid, maar stond ook ontzettend in contact met de reactie die daar iedere keer op volgde. Hierdoor beschreef ik op een gegeven moment in de groepssessie dat mijn vader me vroeger herhaaldelijk in m’n gezicht sloeg en woest door elkaar schudde als ik boos was. Dit was ontzettend moedig, maar het enige wat Eelco zei, was: “Is het wel eens gebeurd?” waarop ik dacht dat hij dacht dat ik aan de therapie wilde ontsnappen, door dat te zeggen. De druk was voor mijn gevoel zo groot, dat ik m’n eigen gevoel verloor, en me enkel nog maar destructief kon uiten naar de therapeuten, of heel aangepast. En dat lieve aangepaste gedrag werd iedere keer erg beloond en gezien, maar het voelde niet alsof ík dat was. Zo herinnerde ik me dat ik me in die tijd daar soms vanzelf alles voelde doen, op de automatische piloot. En ondertussen voelde ik me vervreemd van wat ik zei en deed, een soort depersonalisatie. Ik voelde zoveel haat, maar kon daar niet naar luisteren, want dan zou ik het niet overleven voor mijn gevoel. Ik was verscheurd!! Mijn persoonlijkheid splitste in tweeën. En iedere keer dat ik m’n boosheid naar buiten probeerde te brengen, was het altijd op een onhandige manier, en werd ik voor mijn gevoel wéér gecontroleerd, waarop ik veel moest huilen (“dat huilen zal nog wel een tijd blijven”, zei Eelco eens), waardoor dat stukje kracht voor altijd verdween uit m’n hoofd. En dat controleren (of manipuleren) ging erg slim: ik kreeg steeds opnieuw van Eelco te horen dat ik niets liever wilde dan intiem contact en moest ik denken aan het moment dat ik hem sprak bij de tweede evaluatie, dat hij vertelde dat mijn agressieve fantasieën intiem contact kapot maakten. Dan moest ik veel huilen, want ik had juist zo’n behoefte aan intiem contact, en dat zorgde ervoor dat ik weer verder gecontroleerd werd. Eelco interpreteerde m’n verdriet dan alsof ik rouwde om wat er niet was geweest in mijn gezin, maar in mijn hoofd speelde zich een heel ander verhaal af: Ik huilde omdat ik me wéér kleingemaakt voelde!! Maar ik had niet de kracht om dit te uiten.

Op een keer dacht ik terug aan wat Anke eens had gezegd. Iemand in de kliniek was erg boos geweest. En Anke begreep dat goed, en zag dat in perspectief. Ze zei (ongeveer): “Soms testen beschadigde mensen of ze hun gevoelens nog mogen uiten in contact met de therapeuten!” Toen Eelco in die roerige tijd eens vroeg waarom ik boos was geweest, zei ik: “Het was als een soort test!” Eelco had hier totaal geen begrip voor, en hij kwam weer met het gebruikelijke zinnetje dat ik zo graag intiem contact wilde.

Op een gegeven moment was ik zo radeloos en destructief, dat zelfs mijn therapiegenoten zich tegen me keerden, waarop ik weer veel moest huilen. Op een gegeven moment was ik volledig monddood gemaakt. Ik had totaal geen verdediging meer en kreeg iedereen over me heen, loyaal naar de therapeut ze allemaal waren. Ik voelde me vanaf dat moment totaal alleen. Dood. Kapot. Vervreemd. Ik liep naar het busstation op de automatische piloot, zonder dat het leek alsof ík het was die aan het lopen was. Ik voelde dat dit helemaal mis ging. Ik zat in de bus, en ik herkende de plaatsen waar ik doorheen ging niet meer. Ik wíst verstandelijk wel waar ik was, maar het gevoel van herkenning was totaal weg. Totale derealisatie. Ook had ik geen enkele gevoelsmatige herinnering meer aan vroeger, alles was weg. Thuis was het eerste wat ik deed, m’n moeder omhelzen en steun zoeken. En ze steunde me zoals ze altijd zo goed kon! Maar ik werd knettergek. Ik dacht dat ik dood ging. Ik dacht: ik moet terug naar de kliniek! Dit kan niet! Ik dacht plots aan Dick, een therapiegenoot in de kliniek, die psychotisch was geweest, en uiteindelijk in de kliniek was beland. Zijn therapie werd abrupt stopgezet, toen ik er nog volop mee bezig was. Hij zou een verdedigingsmechanisme hebben, waardoor ze z’n agressie niet meer omhoog konden krijgen. En daardoor zou hij de rest van z’n leven heel gestructureerd moeten leven, om achteruitgang te voorkomen. Ik weet nog goed dat hij vertelde als een kasplantje verder te moeten gaan leven, de rest van z’n leven. Dit was vreselijk. En ik was er van overtuigd dat dit nu ook voor mij gold! Dat voerde de angst nog verder op! En het was niet te houden!

De volgende dag moest ik weer terug naar de therapie maar ik was panisch om terug te keren. Mijn moeder reed mij met de auto naar de deeltijdlocatie, en we gingen samen naar binnen. Ik kwam binnen en wilde de baliemedewerkster vragen of Eelco naar beneden kon komen, maar barstte meteen in tranen uit. Eelco kwam, en we hadden een gesprek. Ik vertelde hem dat ik zó ontzettend angstig was en me zo alleen voelde. Hij zei: “Goed dat je dit aangeeft.” Zo’n irritante therapieoneliner, waarop ik zei dat hij echt de boom in kon! Hij vulde me in m’n verhaal af en toe aan met: “De agressie zit ‘er’in!” – waar hij mee bedoelde dat de agressie in m’n systeem zat, en dat ik die nu volledig over me heen liet komen – en: “Je bent vervreemd van contact.” Hij vroeg of ik een time-out wilde en ik ging daar op in. Ik zou een paar dagen thuis blijven. Deze paar dagen thuis heb ik voornamelijk met doses Oxazepam doorgebracht, veel slaap, maar vooral ook bezig blijven, want dat was het laatste zinloze handvat wat ik had gekregen van de therapeuten, en waar ik dan ook weer erg m’n best voor deed om aan te voldoen. Ik ging me er niet beter van voelen.

Ik voelde me afgrijselijk: ontzettend somber, angstig, kwaad en wanhopig, maar wilde er niet aan geloven dat de therapeuten me zó, in deze toestand, zouden laten gaan. Als ik door zou gaan met de therapie, dan zou het vanzelf beter worden, drukte ik mezelf weer op het hart. Ik was niet te stoppen! Ik belde dan ook na een paar dagen weer op, om af te spreken wanneer ik weer kon beginnen. Eelco vertelde me dat hij dat in een persoonlijk gesprek wou bespreken en dat ik m’n ouders mocht meenemen. Op het gesprek vertelde hij dat hij het geen goed idee vond dat ik verder ging met therapie. Hij zei dat ze in de therapie veel druk op me zetten/hadden gezet, en dat ik een kwetsbaarheid had, waardoor het beter was om te stoppen, en afscheid te nemen. Ik dacht: door wie is die kwetsbaarheid ontstaan? Door jou!! Wie heeft die kwetsbaarheid blootgelegd: Jij!! Gore klootzak! Maar ik was weer heel aangepast. Ik voelde me aan de kant gezet, alsof ik gefaald had in de therapie. Alsof twee jaar intensieve therapie voor niks waren geweest. Ik vertelde dat ik me nu slechter voelde dan vóórdat ik met alle therapieën begon, waarop Eelco mij verzekerde dat ik er niet slechter aan toe was. Ik was tenslotte niet dwangmatig meer, maar eerlijk gezegd durfde ik dat gewoon niet meer, omdat hij had gezegd dat dat onvolwassen is. En wat durfde ik nog wel? Niks eigenlijk. Ik was verworden tot een patiëntje voor het leven.

In één van de laatste gesprekken met Lieve Deruyter, de psychiater, vertelde ze dat ik nooit echt m’n boosheid mocht uiten thuis en dat ik wél boos mocht zijn, ook al had ik nu helemaal het gevoel van niet. En ze verzekerde me dat het proces wat ik het afgelopen jaar had doorlopen, niet onomkeerbaar was. En toen keek ik totaal op haar neer, want ik dacht aan Dick, het kasplantje, en wist dat Lieve geen gelijk had.

Sinds dat ik in het in het reguliere ziekenhuis gediagnosticeerd was (2003) waren mijn antidepressiva flink verhoogd. Na de klinische therapie in het psychiatrisch ziekenhuis, toen ik me zo goed voelde, had ik ze zelfs gedeeltelijk afgebouwd, maar in de laatste periodes in de deeltijdtherapie, toen ik het zo moeilijk had, waren ze weer verhoogd, verdubbeld zelfs, “gewoon als steuntje in de rug! Dus niet als achteruitgang” verzekerden Lieve en Eelco me. Maar toen deze bijna maximale dosis onvoldoende hielp tegen de angst, kreeg ik ook voor het eerst van m’n leven een antipsychoticum, die steeds verder verhoogd werd tot een tamelijk hoge dosis, “gewoon als steuntje in de rug! Niet als achteruitgang!” maar de verwachte vooruitgang die er voor zou zorgen, dat ik m’n medicijnen niet meer nodig zou hebben, bleef uit en is tot op heden uitgebleven. Ik was té ver beschadigd.

Het ergste is dat het voor mij een puzzel was wat er nu eigenlijk gebeurd was, en wat voor aandeel de therapeuten daar in hadden. Ze gedroegen zich bij het afscheid nog net zo onfeilbaar als anders, alsof er niks aan de hand was. Dat was vreselijk. Ze gingen daar gewoon door met hun maniertjes en techniekjes, en ze lieten mij in deze toestand gaan, zonder kritisch naar zichzelf te kijken, en hun eigen fouten toe te geven, alhoewel Eelco wel zei dat het hun verantwoordelijkheid was, maar wat dat dan precies inhield, wist ik niet. Ik heb allemaal zelf uit moeten zoeken, wat er mis is gegaan, waar de fouten zijn gemaakt, hóe het psychologisch allemaal werkt enzovoort. Dat is keihard! Ze hadden onterecht zoveel vertrouwen gehad in hun therapie en er kwam niks van terecht. Ze verzekerden me op een gegeven moment in de deeltijdtherapie, toen ik niet meer agressief kon fantaseren, dat ik er mocht zijn zoals ik écht was, maar met dat gevoel ging ik niet naar huis. Ik voelde de voorwaardelijke liefde, die ik vroeger binnen mijn gezin had ervaren, en die nu, met dit gebeuren, opnieuw keihard binnenkwam. Want ik was niet zoals zij dachten dat ik was: ik was zoals ik uit de kliniek kwam, dát was de echte Jesse, tóen stond ik nog overeind. Toen had ik de extra ruimte in m’n hoofd die ik altijd zo nodig had, om mijn grote angst (voor reëel gevaar!) hanteerbaar te houden. Dit was niet te verdragen. En ik was woest, maar hield dit allemaal binnen.

Door veel druk op mij te zetten, me niet te bevestigen, en mijn grenzen uit te dagen, hoopten de therapeuten dat ik mijn ontzettende boosheid naar buiten zou brengen, m’n grenzen zou verdedigen, zodat ik zelfvertrouwen zou krijgen, en vervolgens m’n boosheid kon loslaten en m’n grenzen kon verleggen! En op het eerste gezicht dachten ze ook dat dat gebeurde bij mij. Maar dat was niet wat er zich in m’n hoofd afspeelde, dat heb ik al duidelijk gemaakt. De therapie had een heel andere uitwerking dan wat de bedoeling was geweest. Als hun inschattingen juist waren geweest, en ik geen ernstig trauma had naar m’n ouders, dan was ik na deze therapie diagnosevrij geweest. Helaas liep het anders voor mij, en werd ik volledig in contact gebracht met een ernstig trauma, waar je eigenlijk alleen maar van kan wegvluchten of tegen kan vechten als je overeind wil blijven. En juist die ‘vlucht- en vechtmanieren’ (zwart-witdenken (splitsen), agressieve fantasieën, uit contact gaan), werden van me afgenomen. En toen ze zagen wat dat voor uitwerking had, gaven ze toch ook wel toe dat vluchten wel gerechtvaardigd was. Maar toen kón ik niet meer vluchten: het kwaad was al geschied. Nu weet ik dan ook dat Anke en Desmond, de therapeuten uit de kliniek, me niet hadden door moeten sturen. Er stond té veel op het spel. Blijkbaar waren ze bereid het risico te nemen, en had ik hen misschien onbewust erg misleid. Want ze hebben tenslotte verschillende keren dit onderwerp opgegooid: de keer dat ik na de therapie, op verschillende momenten aan Desmond’s deur had geklopt, omdat ik er persoonlijk met hem over wou praten. En de keer dat Anke mij vroeg over waar ik precies bang voor was, toen ik m’n boosheid vasthield. Het is de functie van een therapeut om zijn of haar patiënten te confronteren met het opgelopen trauma, en om deze bij de patiënt te laten doordringen in zijn verstand. Dat is bij het trauma naar m’n zus goed gebeurd, maar bij het trauma naar m’n vader niet. Ik heb uit grote angst en schaamte onbewust ook vermeden om daar over te praten. Ik ontkende dát deel van mezelf. Soms voel ik me daar erg schuldig over, maar geloof mij: het is onverteerbaar om met een schuldgevoel te kijken naar wat voor schade dit alles heeft aangericht, dus ik probeer hier niet naar te luisteren…

Een hernieuwde kijk op mijn ouders

Aan het begin van dit verhaal schreef ik over hoe ik mijn ouders zag. Maar er zaten veel verdrongen gevoelens. Ook al was ik er nu door de deeltijdtherapie slechter aan toe dan ooit; ik wist nu wel precies hoe ik in elkaar zat. De meeste mensen, zeker de psychologisch onderlegden, hebben zich nu al lang een beeld kunnen vormen van hoe het er bij mij thuis aan toe ging, maar ik zal toch nog even delen wat voor beeld ik nu van m’n ouders heb.

M’n moeder is een goed mens, en een lieve vrouw, die altijd klaar staat om me te helpen. Ik zocht bij haar altijd veiligheid. Ze praatte altijd veel tegen me, en dat vond ik erg leuk. Ze is er altijd voor me, maar ik voelde me soms een beetje beperkt in zelfstandigheid, ze deed dingen dan liever zelf voor me, dan dat ik het kon doen. En ze dacht liever voor mij, dan dat ze me zelf liet denken. En ze waarschuwde te veel voor van alles, en hield mijn autonomie tegen. Ze was ook wel regelmatig met haar eigen angsten, zorgen en praktische problemen bezig. Hierdoor had ik nooit echt het gevoel dat ze me goed zag. Bovendien moest ik vanaf m’n geboorte alle aandacht van haar delen met Lauren en zat ik in een soort symbiotische relatie met haar en Lauren, totdat ik klaar was met de kliniektherapie.

M’n moeder is lerares geweest en kon dingen altijd goed uitleggen, meestal ging het dan over kennis. Ze was toen ik klein was altijd erg enthousiast als ik iets goed kon en dat heb ik altijd erg gewaardeerd, sterker nog: ik wou indruk op haar maken, want daar reageerde ze zo goed op. Ook heb ik op oudere leeftijd altijd goed met haar over mezelf kunnen praten en al m’n angsten. Maar begrijpen waar het vandaan kwam, deed ze niet echt. Ik kreeg veel aandacht van haar als ik dingen goed kon, en als ik bang was, was ze er altijd voor me, maar als ik erg boos was, dan had ik niet het gevoel dat ze mij zag. En als ik me slecht gedroeg, verbond ze geen overtuigende consequenties aan m’n gedrag, en als het dan uit de hand liep, moest m’n vader haar in bescherming nemen. Ze kon zelf haar grenzen niet goed verdedigen, al voelde ze wel goed aan waar die lagen. Haar eigen boosheid naar buiten brengen op belangrijke momenten, kost haar moeite. Maar ik ben haar erg dankbaar voor al die jaren.

M’n vader is een goed mens en een lieve man. Hij had natuurlijk door de week z’n werk, en we zagen hem dan ’s avonds en in de weekenden. Hij was niet echt in contact, maar de momenten dat ik contact met hem had, was het erg leuk. Dan vertelde hij verhalen, of zong hij liedjes, of hij deed gek. Ik ben hem dankbaar voor de goede dingen, maar helaas overschaduwen wat het ouderzijn betreft de negatieve dingen de positieve dingen. Hij miste namelijk een overtuigende ouderrol. Hij gaf namelijk nooit op tijd grenzen aan als wij vervelend waren, alsof hij dacht dat dat vanzelf wel beter zou worden, en wij ons vanzelf wel gingen gedragen. Zo werkt het natuurlijk niet. En als wij dan vervelend waren en er kwamen geen grenzen, dan kon dat best wel uit de hand lopen, en dan zat hij z’n woede op te bouwen, en zodra ie dan in de gaten kreeg dat m’n moeder het moeilijk kreeg met ons, dan sprong ie dreigend op, en veranderde hij in een monster. Dan werden z’n gelaatstrekken helemaal anders, alsof hij echt iemand anders was! Hij was dan erg agressief en sloeg me dan recht in m’n gezicht, en schudde me door elkaar en als ik dan boos werd, dan kreeg ik er nog één, totdat ik volledig de mond gesnoerd was. Meestal werd ik dan naar m’n kamer gestuurd, en dan kwam ie na een tijdje naar boven. Dan dwong hij me m’n excuses aan te bieden met twee woorden aan m’n moeder of aan hem. Ook aan tafel was het vaak mis. Dan werd ik steeds bozer op m’n moeder, en als m’n vader hier dan wat van zei, dan was ik zo boos dat hij me weer tegenwerkte, als ik contact probeerde te maken met m’n moeder, dat ik alles naar hem richtte, en dan stond hij dreigend op om mij een lel te verkopen, of een draai om mijn oren.

Soms kreeg ik een pak slaag op m’n blote billen, heel vernederend. M’n moeder stond er meestal geschokt naar te kijken, en riep ‘HECTOR!!’ maar verder greep ze ook niet in. Spontane reacties maakte hem aan het schrikken. En voor ik het wist, had ik dan een dreun te pakken, of rende hij achter me aan om me daarna wild vast te pakken en te slaan.

En het ergste was dat ik toeschouwer was van hem als hij Lauren of Anton sloeg, herhaaldelijk, óók als ze boos waren. En vooral dat hij Lauren, m’n tweelingzus sloeg, vond ik nog erger dan wanneer hij mij sloeg. Dat heeft ervoor gezorgd dat ik niet alleen een trauma had dat hij mij kapot maakt met z’n agressie, maar ook dat hij mijn zus kapot maakte. Ik kon m’n gevoelens niet bij hem kwijt, en ook niet bij m’n moeder omdat hij dat tegenhield, of omdat ze gekwetst was, dus dan richtte alles naar Lauren, met wie ik altijd de aandacht van m’n moeder moest delen. Dus het kwam vroeger vaak voor dat ik Lauren sloeg. Maar dan schrok ik zo van mezelf en dacht ik meteen aan m’n vader, ik identificeerde mezelf dan met hem, zodat dát ook een ernstig trauma werd. En toen ik dan 19 was, was ik rijp voor een therapeutische opname, en dat verhaal, dat is al aardig bekend nu!

Mijn ouders hebben op hun beurt ook weer hun negatieve dingen meegemaakt in hun leven, binnen hun gezin, die hen heeft beïnvloed en kwetsbaarder heeft gemaakt. Dat besef ik maar al te goed. Zo is hun gedrag ook te begrijpen. Voor hen is het waarschijnlijk op sommige momenten ook tegengevallen om drie kinderen onder controle te houden! In m’n vaders gezin was men ook altijd erg gericht op het moeten voldoen en mijn opa sloeg hem ook en hij schrok dan ook vaak van een spontane of boze reactie van mij, waardoor hij niet kon incasseren of mij kon begrenzen. Mijn moeder had ook haar ervaringen met het op een agressieve manier bestraft worden, waardoor ze kwetsbaar was en mijn vader niet kon corrigeren, en ons niet overtuigend kon begrenzen. Zoals ik al zei: het is allemaal te begrijpen, maar het is jammer dat het zo moest lopen, en ik praat het niet goed. Zulke persoonlijkheidsproblemen worden op deze manier doorgegeven van generatie op generatie. Gelukkig wordt daar tegenwoordig meer over gepraat (ook de supernannyprogramma’s dragen daar positief aan bij), en is het gebruikelijker om hulp te zoeken dan vroeger. En hierdoor kun je het probleem ook een halt toeroepen, zodat je het niet doorgeeft aan je kinderen. Mijn ouders vinden dit ook erg moeilijk, en hebben veel spijt dat het zo is gelopen, want ze zien in zo’n tv-programma hoe het ook anders kan. Mijn ouders doen altijd ongelooflijk hun best voor je, ze willen het beste voor je, en zouden zeker veel toegepast hebben wat ze horen en zien. Wellicht zouden ze zelfs overdreven veel bezig zijn met wat goed is voor het kind, zodat het kind overbeschermd wordt, maar dat is mijns inziens nog altijd beter dan onwetende ouders, die denken dat ze het goed doen, maar eigenlijk een heel kritieke en cruciale fout maken.

Een kleine toelichting

Vooral als kinderen op jonge leeftijd steeds weer aan grote angsten blootstaan, wordt het een onderdeel van hun persoonlijkheid. (Dit verschilt echt met mensen die op latere leeftijd zoiets meemaken, omdat een kind op jonge leeftijd nog niet zo veel reserves heeft om met angst om te gaan. Een mens van een oudere leeftijd, heeft dit vaak al wel, vooral natuurlijk als zij van huis uit een stabiele en stevige basis mee hebben gekregen).

Wat je ziet bij zulke kinderen, is dat ze in hun volwassen leven door ogenschijnlijk kleine dingen die gebeuren in de buitenwereld, ontzettend angstig kunnen worden. In therapie is het de bedoeling dat iemand sterker wordt, en agressieve fantasieën de vrije loop geven is heel effectief tegen zulke trauma’s, omdat het de pijnlijke gevoelens van angst dempt en voor meer stabiliteit zorgt. De heftigheid zit in veel gevallen voornamelijk van binnen. En iemand leren om terug te vechten tegen deze heftigheid is heel effectief.

Door grote angsten ontstaat er ook gestoord gedrag, om hiermee om te gaan. In therapie wordt dit gedrag dan vaak weer afgeleerd, en wordt gezond gedrag gestimuleerd. Zo kunnen ook hier de scherpe kantjes van afgehaald worden. Maar wat blíjft, en wat voor dit soort mensen ook gezond is, is hun veeleisendheid, en het feit dat ze meer aandacht of ruimte nodig hebben dan gezonde mensen. Dit moet men in perspectief zien, want het houdt hen (en dit híeld mij) overeind.

Ná de deeltijdbehandeling
2005-2006

De weken die volgden op de hel van gebeurtenissen die zich afspeelden in de deeltijdtherapie, waren zwaar. Bij alles wat ik deed, had ik m’n grens erg snel bereikt. Alle dingen die ik graag deed toen ik uit de kliniek kwam, kon ik niet meer. Ik wilde het nog supergraag, maar de angst was gewoon te groot. Telkens als ik m’n kracht/agressie probeerde in te zetten om iets te doen, werd ik meteen overspoeld door angst. En die was nog nooit zo sterk geweest. Ik kon echt níks doen, of ik werd angstig. En de angst was in de therapie steeds groter geworden en trad steeds sneller en heftiger op, doordat er zo’n druk op me werd gezet in die therapie. Het houdt als het ware de agressie eronder en m’n agressie mocht er dan ook niet zijn, toen ik de deeltijdtherapie verliet. En een belangrijk onderdeel van identiteit is juist dat je eigen gevoelens (waaronder boosheid) er mogen zijn. Ik voelde me niemand en er was niks eigens aan mij. Ik liet alles over me heen komen. Het was nu zaak dat ik begeleid ging worden zodat ik kon rehabiliteren.

Ik werd doorgestuurd naar de psychiatrische kliniek van de GGz, in dezelfde stad als de deeltijdbehandeling. Daar had ik een gesprek, waarna besloten werd om mij door te sturen naar het RIC (reïntegratiecentrum van de GGz). Daar werd besloten mij in deeltijd langs te laten komen, omdat ik het thuis bij m’n ouders wel redelijk redde. Ik zou drie keer per week een dagdeel langskomen. Rina werd mijn persoonlijk begeleider (PB-er). Toen ik voor het eerst een dagdeel langskwam, verbaasde ik me erover dat er geen therapieën waren. Het was gewoon een huis waar psychiatrisch patiënten woonden. En ik zag meer mensen die het slecht hadden en niks deden. Ik slorpte al hun gevoelens op, en ik ging me er niet beter van voelen. Ik vond het vreselijk om zo afgezakt te zijn, maar ik kon toch redelijk snel contact maken met de mensen die er woonden, waardoor ze wat minder eng werden. Maar ik was ook ontzettend angstig, en vertrouwde niet veel mensen. De begeleiding al helemaal niet. Mijn vertrouwen in de hulpverlening was gedaald tot nul komma nul. Bovendien moesten zij mij nog leren kennen, en daardoor zeiden ze vaak dingen die niet klopte. Hierdoor was ik thuis in m’n hoofd met hen in gevecht. Ik vertelde wat voor therapieprocessen ik had doorlopen en hoezeer ik het gevoel gehad had dat mijn agressie werd afgekeurd in die deeltijdtherapie. Ik heb lange tijd het idee gehad, dat ze niet begrepen hoe ik in elkaar zat, en dat ze mij maar een verwend en boosaardig ventje vonden dat nu eindelijk eens volwassen moest worden. De eerste tijd op het RIC walgde ik dan ook van alles en iedereen, ik stond regelmatig stiekem te kokhalzen. Desmond, mijn therapeut in de kliniek, vroeg wel eens: “Wat zit er voor gevoel achter walging!” Waarop hij zelf het antwoord al gaf: “Moorddadige woede!!!” en ik was het daar helemaal mee eens.

Ik richtte me vrij snel op het doen van ontspannende activitetiten, want dat had ik echt nodig, en ik kon niet veel meer dan dat, door de grote angst. Ik herhaalde steeds weer dat ik dingen wilde doen, iets waar in de deeltijdtherapie veel nadruk op lag in de laatste maanden, en ik wilde hier erg aan voldoen. Voor wat activiteiten werd ik aangemeld bij een dagactiviteitencentrum van de GGz. Ik zou één keer in de week gaan fitnessen en één keer in de week gaan badmintonnen. Eigenlijk heb ik dit een tijd lang op de automatische pilootgedaan. Ik beleefde er geen plezier aan. Eigenlijk beleefde ik nergens plezier aan. Ik was erg veel bezig met de dood en wenste dat wel eens aan één kant, gewoon om uit m’n lijden verlost te worden, en deze gedachte kwam heel dwangmatig terug. Nu begreep ik Chris, nu begreep ik Michael, nu begreep ik Sanne (de zus van een vriendin). Ze hadden zich gewoon zó ontzettend slecht gevoeld, en ze hadden zo weinig hoop gehad dat het beter zou worden, dat de dood de enige optie leek. Gelukkig kon ik redelijk weerstand bieden tegen m’n gedachtes, zodat ik geen impulsieve dingen zou doen.

Het einde van het jaar naderde, en er viel een brief van het UWV op de mat. Ik zou binnenkort herkeurd worden. Ik besloot daar alleen naar toe te gaan, en dat was dom. Want in het gesprek speelde ik natuurlijk mooi weer, zoals ik altijd deed, en wilde ik m’n beperkingen niet laten zien. Ik liet me leiden door de arts met wie ik het gesprek had, en durfde hem niet tegen te spreken. En toen werd ik arbeidsgeschikt verklaard, waarop de angst me om het hart sloeg. Want daar ging m’n inkomen en bovendien moest ik nu een baan zoeken. Het was onmogelijk en gelukkig had ik goede steun van het thuisfront en van Rina. We besloten bezwaar te maken. Samen met m’n ouders en Rina was ik naar deze zitting gegaan. En m’n vader had in een verhaal opgeschreven wat hij ervan vond, en raakte geëmotioneerd. Hij vertelde dat ik lijdde, en dat het onmogelijk was om met zo een druk erop, van mij te verlangen dat ik aan het werk ging, na alles wat er mis was gegaan. M’n moeder beaamde dit. Ook Rina vertelde haar visie op de zaak. En ik vertelde dit keer hoeveel ik last had van angst. En uiteindelijk werd mijn bezwaar gegrond verklaard, en werd ik volledig arbeidsongeschikt verklaard. Ik was erg opgelucht. Wel wilden de mensen van het UWV een verslag van m’n deeltijdtherapie, en die ging Rina opvragen bij Eelco de Smet. Dat verslag heb ik uiteindelijk ook gelezen, en ik vond het vreselijk! In dat verslag werd constant naar mij gewezen, dat ik agressieve fantasieën had aan het begin, dat ik splitste, dat ik agressief reageer op kritiek, dat ik het contact steeds kapot maak enzovoort, dat ik passief ben en niet lijk te groeien. Nergens stond wat de therapeuten hadden gedaan om mij zover te krijgen dat ik de vernieling inging. En er bleek nergens uit dat er begrip was van hoe de situatie was ontstaan. Er werd enkel gezegd dat ik te kwetsbaar was om verder te gaan. Nergens stond dat zij verantwoordelijk waren voor het blootleggen van deze ‘kwetsbaarheid’. (Dat woord klinkt trouwens alsof het een acceptabele staat van zijn is, maar dat is het geenszins). Ik vertelde dit aan Rina, en toen zei ze dat Eelco sprak van een kwetsbaarheid, waarop zij had gezegd: “Ja maar het is een ernstige kwetsbaarheid!” waarop hij toegaf dat hij een verkeerde inschatting had gemaakt, al betwijfel ik soms of hij werkelijk een inschatting heeft gemaakt, maar misschien is dit niet reëel. Ook vertelde Rina dat Eelco me nog een aantal gesprekken aanbood om er over te praten, maar ik voelde me nog dermate slecht dat ik daar geen gebruik van wilde maken. Bovendien vertrouwde ik hem voor geen cent. Ik had heel erg het beeld van hem dat hij de fout in de doofpot heeft willen stoppen; dat hij al z’n medetherapeuten dom heeft gehouden en hen daar niks over heeft gezegd, om z’n eigen hachie te redden; dat hij geen enkel inzicht heeft in wat deze fout voor mij betekend heeft. En wat er zich in die aangeboden gesprekken zou afspelen, had ik al precies in m’n hoofd: ik zou me niet kunnen verdedigen – omdat m’n wantrouwen en boosheid zó enorm was dat ik hem, bij één zinnetje van hem, het liefst 30 minuten zou willen preken, maar dit tóch niet zou kunnen – en híj zou zichzelf constant verdedigen, en daar had ie naar mijn idee het recht niet toe!! Wat ik merkte bij Rina was dat ze weinig woorden vuil maakte aan de fout die was gemaakt. Ik had het fijner gevonden als ik wat overtuigender begrip had gekregen. Het leek enigszins of ze Eelco wilde beschermen. Maar ik kan het mishebben.

De maanden die volgden bleven zwaar, maar trouw dat ik altijd was geweest in het volgen van mijn therapieën, kwam ik ook trouw op het RIC. En ik raakte langzaamaan gewend aan iedereen. Met nieuwe mensen probeerde ik altijd meteen te praten, zodat ik ze leerde kennen en zij mij. Op m’n gemak voelde ik me nog niet, daarvoor was ik nog te angstig. Ik had een gesprek met een psychiater, Henk de Koning. Dat was bizar. Hij was heel snel in oordelen. En ik bracht daar niks tegenin en speelde weer mooi weer. Hij zei: “Je bent dus twee jaar in therapie geweest, en het heeft niks geholpen,” niet wetende dat ik heen en weer geslingerd was tussen uitersten, en het wel degelijk grote invloed had gehad op me. Ook schreef hij in z’n rapportage (dat hoorde ik later van z’n opvolger, dr. Blankenberg) dat hij geen tekenen zag van angst of depressie. Toen bleek maar weer eens dat ik erg in staat was om te misleiden, onbedoeld. Ik kon niet anders. Ik kon mezelf op die momenten niet laten zien. Omdat ik erg aankwam van Zyprexa, het antipsychoticum dat ik slikte, en m’n cholesterol te hoog was, werd besloten om een ander middel te proberen. Dr. Blankenberg dacht aan Orap, een wat ouder middel. Ik probeerde het uit, en dat werd niks. Ik kon het middel niet verdragen. Ik kreeg er als het ware meer geestelijke pijn door, waardoor m’n agressie in m’n benen zat te springen, om naar boven te komen om de pijnlijke gevoelens te dempen, maar ook keihard weer naar m’n tenen werd gedrukt, door hoe ik nu was. Hierdoor kon ik bijna niet stilzitten en wilde ik constant op de vlucht (akathisie). Ook werd ik er erg stijf van, en ik liep als een Parkinson patiënt over straat. En het gekste was wel dat m’n hand op een avond helemaal naar binnentrok, ik leek wel spastisch. De apotheekbeheerder werd ’s avonds laat gebeld of ze een middel voor me had tegen de bijwerkingen, en ze ging speciaal voor me naar de apotheek. Dit medicijn gaf gelukkig meteen verlichting. Later bij de psychiater besloten we over te schakelen op Risperdal, een middel dat ik kreeg toen de verhoging van mijn antidepressivum Efexor onvoldoende hielp tegen de angst, aan het einde van de deeltijdtherapie, maar wat de klachten verergerde, waardoor ik toen Zyprexa kreeg. Maar goed, ik zou het nu nog eens gaan proberen. Wéér namen de angsten erg toe; ik had een hele lijst van angsten die speelden op dat moment (veel dood en verderf), maar Blankenberg verzekerde mij dat dat tijdelijk was, en dat het steeds beter zou gaan. En dat klopte, maar ik zat nog niet helemaal aan dezelfde dosis als met Zyprexa. Het ging een tijdje goed, maar er gebeurden toch wel eens vervelende dingen, die natuurlijk weer een overdreven groot en traumatisch effect op mij hadden, waardoor ik achteruitging, en de angst op een gegeven moment zo groot werd, dat het amper te hanteren was. Dit besprak ik met Rina, en ze vroeg zich af of het niet beter was als ik op het RIC kwam wonen, zodat ik wat meer structuur had. Maar dat zag ik niet zitten, en ik vroeg me af of Risperdal verhoogd kon worden tot de met Zyprexa overeenkomende dosis. En dat mocht. En dat hielp me goed. Maar ik WIL me niet voorstellen hoe het zou zijn, als ik die medicijnen niet had.

Acht maanden nadat het zo misging, schreef ik een brief naar Anke, mijn therapeut uit de kliniek. In deze brief vertel ik wat er is gebeurd, hoe ik me voel, en vertel ik over m’n eigen ideeën of ik nog geholpen kan worden. Mijns inziens was er maar één therapie die mij nog kan helpen, en dat is een therapie waarbij de agressie weer naar boven zou gehaald worden, dezelfde therapie als die ik al een keer had doorlopen, daar in de kliniek. Een therapie die iemand alleen ondergaat als ie nergens anders te helpen is. Maar ik vertel er ook bij dat dat naar mijn gevoel niet meer kan, omdat ik een verdedigingsmechanisme heb, (net als Dick, die Anke als het goed is ook nog wel kende), dat er voor zorgt dat de agressie niet meer omhoog kan, hetzelfde wat zij heeft beschreven toen ze de therapie van Dick stopzette. Ik vraag haar om raad, en vertel dat zij in de kliniek toch een soort moeder voor me geweest is, en dat ik dat erg heb gewaardeerd. Op deze brief heb ik geen antwoord gehad. Het bleef erg stil. Van een oudtherapiegenootje hoorde ik enkele maanden daarna, dat Anke een aantal maanden niet had gewerkt, en dat ze nu weer terug was. Ik heb nog steeds de overtuiging dat zij mijn brief heeft ontvangen en daar erg van is geschrokken en verantwoordelijkheid daarvoor heeft genomen, want ik weet dat zij een heel verantwoordelijk mens is, en dat het haar aan haar hart gaat, wat er met mij is gebeurd. Ze heeft me in dat jaar intensief behandeld en meegemaakt, en ze heeft me zien groeien en ze is begaan geweest met me, en mede door háár inschattingsfout, ben ik doorgestuurd naar de deeltijdbehandeling. Dit vergeef ik haar 100%, want hoewel zij keihard kon zijn (ze had echt haar op haar tanden), heb ik haar ook leren kennen als iemand met een groot hart voor haar vak, erg veel gespecialiseerde kennis, en erg capabel in haar rol, maar ook ontzettend begaan met haar patiënten. En ze heeft me voor mijn gevoel onvoorwaardelijk geaccepteerd toen ik mezelf had ontdekt, met alle negatieve punten, die daar bij hoorden. Want ik was buiten de therapieën druk, snel boos, vroeg veel aandacht (al kon ik wel aandacht delen), en was veeleisend, maar nu weet ik dat ik dit nodig had om overeind te blijven. En wat ik zo goed vond aan haar, was dat ze duidelijk was en zei wat wel kan en wat niet, en dat ze duidelijk een grens opwierp, wanneer ze die voelde. Kortom: een topvrouw waaraan ik veel heb gehad!

Nu terug naar hoe het verder met mij ging, in de jaren nadat het misging. Nog zeker twee jaar lang, was ik in m’n hoofd bezig met de therapeuten uit de deeltijdtherapie. Wat ze allemaal tegen me hadden gezegd, hoe ik dat moest zien, ik was de hele tijd met hen aan het vechten in m’n hoofd, net zoals ik vocht in m’n hoofd met de begeleiders van het RIC. Ik bedacht me wat ze zouden zeggen, als ik boos zou zijn. En bedacht op hun reactie dan weer een verdediging. Dit speelde zich allemaal af in m’n hoofd, want om dat in echt contact te doen, was voor mij onmogelijk. Dan was de angst te groot, en de kans op verdere beschadiging ook. Om me goed te kunnen verdedigen, moest ik op het niveau van de therapeuten denken, over hoe ik dacht dat ik in elkaar zat, hoe de behandeling had moeten zijn, wat zij niet hadden moeten doen enzovoort. Hiervoor probeerde ik zo logisch mogelijk na te denken. Na mijn brief aan Anke, waarop ik niks hoorde, ging ik me ook weer dingen herinneren die in het contact met haar gezegd waren. Ik herinnerde me plots het belangrijke gesprek ergens aan het eind van m’n therapie – wat ik eerder in mijn verhaal heb besproken – waar we spraken over de angstige gevoelens die volgde op het agressief fantaseren, en waarin Anke vroeg of het angst voor afkeuring was, of angst om niet gezien te worden. Ik besefte toen dat ik voor allebei de zaken bang was, maar dat ik haar niet verteld over deze afkeuringsangst, omdat ik me sterker voor deed dan ik was en me onbewust hiervoor schaamde. Ik voelde me ontzettend verantwoordelijk hiervoor, en dacht dat zij mij puur op dit antwoord had doorgestuurd naar de deeltijdbehandeling, maar toen bedacht ik me dat zij ook eerder al bepaalde ideeën had over hoe het er in mijn gezin aan toe was gegaan, mede door het systeemgesprek wat we hadden gehad, en dat de verantwoordelijkheid bij haar en Desmond lag, ook al had ik hier zelf wel aandeel in. Misschien was het beter geweest als we destijds nog een systeemgesprek hadden gepland om een en ander nog eens goed door te spreken, met m’n ouders erbij.

Ondertussen was het voor mij ontzettend belangrijk dat ik goed gezien werd op het RIC, maar ik had nog niet echt de indruk dat ik altijd goed begrepen werd. Ik had duidelijk verteld dat ik na de kliniek in m’n agressie zat, en dat ik deze had leren hanteren. Maar toen ik dit later een keer herhaalde, zei Rina: “Ja, maar toen was je té krachtig!” waarop ik ze uit onmacht vierkant uitlachte. Maar zulke opmerkingen hakten erin, want wat voor mij duidelijk was dat, ook al zat ik in de psychiatrie, er hier minder gespecialiseerde kennis was op het gebied van mijn problematiek en wat voor soort therapieën ik had doorlopen, en dat het bij ernstig getraumatiseerde patiënten gerechtvaardigd is als ze agressieve fantasieën hebben. Gelukkig kreeg ik, hoe rustiger ik werd, steeds meer begrip, voor mijn gevoel. Want Rina begreep later dat mijn agressieve fantasieën mij overeind hadden gehouden. En dat deed me goed. En zo gebeurden er nog wel meer dingen op het RIC, waarvan ik thuis in gevecht was, maar ik durfde dit niet bespreekbaar te maken, omdat ik al helemaal in m’n hoofd had wat er gezegd zou worden, en dat waren bepaald geen begripvolle woorden. Ik beeldde me in dat ik emmers shit over me heen zou krijgen, waar ik geen verdediging voor had.

Maar de tijd ging verder, en ik kreeg alles steeds meer op een rijtje. Hierdoor kon ik me in m’n interne gevechten gelukkig steeds beter verdedigen. En dat was belangrijk, want dat betekende dat de psychotische gevoelens en de extreme angst ook afnamen. Ik kon als het ware langzaamaan het goede weer zien in mensen. En toen vond ik het tijd worden om ook Eelco de Smet een brief te schrijven, waarin ik hem duidelijk wou maken hoezeer ik beschadigd was. Het was geen boze brief, want dat durfde ik niet. Ik was namelijk bang dat als ik m’n boosheid zou laten blijken, hij m’n brief niet helemaal zou lezen. Dus het was een tamme en verstandelijke brief. Maar ik maakte hem wel duidelijk hoe ik me voelde vóór de therapie, en hoe ik me voelde ná de therapie. En wat voor wereld van verschil dit was. Maar ook op deze brief hoorde ik niks terug, waarop m’n beeld van Eelco, dat ik eerder beschreef, helaas niet echt veranderde.

Toch nog liefde…
2007 – 2008

De tijd die volgde kwam ik er steeds beter achter wat ik leuk vond en wat ik niet leuk vond. Dat kwam omdat ik steeds rustiger werd en minder boos en omdat ik me steeds meer op m’n gemak ging voelen op het RIC. Ik voelde me niet meer zo gecontroleerd als eerst, doordat ze op het RIC niks van me eisten, en me goed behandelden. En ik kreeg weer wat meer identiteit. Ik ging weer wat meer dingen ondernemen. Zo maakte ik een heel jaar foto’s bij allerlei festiviteiten in het kader van het jubileum van het bestaan van mijn dorp. Ik was vroeger ook veel met fotografie bezig geweest, en het was leuk als ik hier iets mee kon doen. En mensen wisten me vanaf die tijd te vinden als ze een fotograaf nodig hadden. Ook deed ik een beginnerscursus Spaans. Hier leerde ik iemand kennen, die vertelde dat ze een vriendin had uit mijn woonplaats, die Suzan heette. Ik zag hen een keer samen in mijn woonplaats, en toen ik haar later een keer in de bus tegenkwam, sprak ik haar aan. Suzan had ook periodes gehad in haar leven dat het slecht ging. Maar op het moment dat ik haar leerde kennen, ging het al een tijd lang erg goed. Ik had nooit verwacht dat ik nog eens een vriendin zou kunnen krijgen, maar Suzan werd m’n vriendin. Dat was een leuke tijd, al voelde ik me bij haar thuis niet altijd helemaal op m’n gemak. Ik voelde me erg geremd altijd, en kon niet echt mezelf zijn, omdat ik bang was voor de reactie van haar ouders. Het voelde toch als een soort examen, om bij de ouders van je vriendin over de vloer te komen; alsof je constant beoordeeld wordt. Dit durfde ik nooit uit te spreken.

Toen we een maand verkering hadden, veranderde Suzan heel erg. Ze kreeg weer allerlei klachten, en ze leek wel een ander mens. Maar ik steunde haar, ook al dacht ik soms: waar ben ik mee bezig? Gelukkig ging dat na een tijdje over. Na een paar maanden ging ik in het weekend bij haar slapen, dat was zeker een aparte gewaarwording en het beviel me wel. Bij het beginnen van de relatie had ik al aangegeven dat ik seksueel een wrak was, maar we besloten het toch te proberen. Maar het was al snel duidelijk dat het allemaal niet ging lukken. Van de dokter kreeg ik een paar erectiepillen, maar dat haalde eerlijk gezegd niet veel uit. Het defecte deel van m’n persoonlijkheid werkte me gewoon tegen, en daar helpt geen pil tegen op. Ik richtte me intern ook de hele tijd op háár, en kon niet bij m’n eigen gevoelens komen. Het intieme contact maakte me impotent, al vond ik haar wel heel aantrekkelijk. En dit is ook allemaal prima te verklaren, met wat ik mee heb gemaakt. Een mens heeft z’n agressie nodig om opgewonden te kunnen raken, het is je passie, en bij de meeste mensen mag dat er in gecontroleerde vorm zijn, in de vorm van je seksualiteit. Maar ik moet het sinds de deeltijdtherapie zonder die gevoelens stellen, en ik word lamgelegd door dat ontzettend grote vermogen om angstig te worden.

Af en toe sprak Suzan twijfels uit over de relatie. Ze wist niet of ze me leuk genoeg vond, en ze wilde dat ik naar een seksuoloog ging. Ik voelde me zo aangevallen als ze hier wat van zei, en ik zat zo in de overtuiging, dat ik of een seksuoloog hier niets aan kan veranderen (en dat geloof ik nog steeds, want ik heb een seksuoloog nog nooit een psychiatrisch patiënt zien genezen), dat ik dat eerlijk gezegd heb tegen haar. Het ging een tijdje door en toen vertelde ze dat ook mijn passiviteit haar stoorde (terwijl ze zelf ook erg passief was). Ik zei dat dat altijd wel zou blijven, vanwege m’n grote angsten, en toen heeft ze het uitgemaakt. Dit was erg, maar ik was mezelf trouw gebleven, en het kostte dan ook een tijd om er overheen te komen, maar het beschadigde me niet. Het was beter zo. En met 7 maanden was dit m’n langste relatie ooit. En ik was er meer dan ooit achter, hoe verwrongen en verscheurd ik seksueel in elkaar zat.

Over m’n seksuele identiteit ben ik ontzettend ontevreden. Ik heb eerder over m’n identiteitswaan verteld (voordat ik de therapieën begon). Dat het net leek alsof ik een vrouwenlichaam had. Dit was een hel, want ik was hier niet gelukkig mee, en met de rest van m’n persoonlijkheid óók niet. Toen ik de kliniektherapie had gedaan en ik veel agressieve fantasieën had (die me, zoals je nu weet, overeind hielden), voelde ik me eindelijk man, en viel ik 100% op vrouwen, al waren het behoorlijk agressieve fantasieën die ik had. Maar ik voelde me toen wel supergoed en was eindelijk tevreden met mezelf. En nu, na de deeltijdtherapie, voel ik me weer superslecht, en daar bij komt dat het soms alweer lijkt alsof ‘ik’ een vrouwenlichaam heb. En het soms voelt alsof ‘ik’ alleen met mannen seks ‘mag’ hebben. Ik zet expres ‘ik’ tussen aanhalingstekens, omdat het niet voelt alsof IK (zonder aanhalingstekens, en met hoofdletters: de échte Jesse) het ben, die die gevoelens heeft. Deze gevoelens voelden altijd (en voelen nog steeds) alsof ze me opgedrongen werden, eerst door hoe m’n ouders op me reageerden, en later in de deeltijdtherapie opnieuw, door hoe de therapeuten op me reageerden. Ik moet iemand zijn, die ik niet BEN, en die ik niet WIL zijn. Het zijn ‘dwanggevoelens’ voor mij. Vergelijk het met sommige mannen die de dwang hebben om vrouwenkleren aan te trekken, en hier grote moeite mee hebben. Vreselijk is dat. Ik heb er niet constant last van, maar van tijd tot tijd speelt het op.

Ik maak wel contact met mijn IK (de échte Jesse). IK wil enkel maar vriendschap met mannen! IK wil alleen met vrouwen de liefde bedrijven. Zo was ik toen ik de kliniek verliet. Toen was ik de echte Jesse. Ik voel me als het ware nu ‘een verkeerde geest in het juiste lichaam’. Dit is echt vreselijk! Ik ben voor m’n gevoel met veel afkeuring en onder dwang van m’n mannelijke gevoelens ontdaan, en hierdoor óók nog eens impotent, en de enige manier om overeind te blijven onder zo veel geweld, is jezelf opblazen met je eigen kracht, je agressie, het enige ‘eigen’ gevoel dat ik had, het gevoel dat me tot Jesse maakte! Maar goed, dat kan ik niet meer.

Een poging tot meer activiteiten
2008-2010

Na de relatie met Suzan, had ik veel behoefte aan contact. Ik zocht bij verschillende mensen steun en dat hielp goed. En ik liet m’n oog alweer snel vallen op andere vrouwen. De afgelopen jaren, ook vóór Suzan, heb ik dan ook veel obsessieve verliefdheden gehad. Soms op meerdere mensen tegelijk. Ik had het echt nodig, omdat ik zoveel pijn voelde. Vrouwen waren een redelijk veilige haven voor mij, en bovendien wilde ik (zoals ik ook altijd indruk op m’n moeder wilde maken) nog steeds indruk op ze maken, ook al vond ik dat ik dat nu niet meer goed kan, vanwege m’n zachtheid, en grote kwetsbaarheid, en omdat ik me gewoon slecht voel en zo veel beperkingen heb. Soms dacht ik: nu heb ik zo lang therapie gehad, misschien vinden ze me nu wél leuk, en zag ik, als vrouwen aardig tegen me waren, dát als een teken dat ze me leuk vonden. Dit idee heb ik al lang losgelaten, want zo werkt het gewoon niet. Wat na Suzan vooral bleef hangen, was het feit dat ze me passief vond, ook al was ze dit zelf ook net zo goed. En op het RIC kreeg ik een lollig bedoelde opmerking van teamleider Steven, dat ie mij een ‘plant’ vond. Dit kwetste mij erg. En het klonk misschien onschuldig, maar bij mij zit er zoveel heftigheid van binnen, dat kleine dingen een groot effect op me hebben.

Ik besloot aan Rina te gaan vragen of ik kon gaan werken op de kantooractiviteit van het Activiteitencentrum van de GGz. En dit kon. Maar ik keek wel neer op dit werk, en dat besprak ik in een tussenliggend gesprek met m’n behandelaar van het RIC, Mira. Rina was hier ook bij. Ik vertelde dat ik van alles wilde in m’n leven (ik noemde allerlei mooie beroepen op) maar dat ik werd tegengewerkt in m’n hoofd. Het was als een soort gevangenis. Noodgedwongen moest ik m’n eisen verlagen, en dat deed ik dan ook. Ik zou gewoon gaan werken op de kantooractiviteit en we zouden wel zien.

Op de kantooractiviteit werd Alfred m’n begeleider. Het werk was erg simpel: de meeste mensen zaten te vouwen, of te stapelen, en Mike, die was aan het nieten. Ik voelde me prima op m’n gemak op kantoor, omdat er weinig eisen werden gesteld, en er geen druk op me stond. Ik was dan ook erg vrolijk. En ik kreeg hierom meteen een boze reactie van Mike (wiens moeder net was overleden, waar ik geen idee van had). Dat had natuurlijk weer een groot effect op me en het bleef nog dagen door m’n hoofd spoken.

Alfred wist dat ik goed met computers kon werken, dus had hij voor mij meestal iets uitdagendere klusjes dan vouwen en stapelen, bijvoorbeeld dingen ontwerpen, boekjes maken, een filmpje monteren enzovoort. Wel vroeg hij vaak te veel van me, naar mijn idee, maar daar durfde ik niet veel van te zeggen. Ik werkte keihard, en iedere keer dat ik dat deed, kreeg ik een bezorgde opmerking. Hij was naar mijn idee soms te eisend, en te bezorgd.

Ondertussen was ik ook veel met fotografie bezig gegaan. Ik fotografeerde regelmatig concerten van koren en muziekverenigingen uit de buurt. En ook ging ik foto’s maken voor een tijdschrift van de GGz. Op het RIC moedigden ze iedere vorm van activiteit aan, en benadrukten ze steeds: je moet je angsten niet vermijden. Meestal zei ik dan zoiets als: “Tja, ik ben ook bang om een hersenbloeding te krijgen, moet je mij dan maar een hersenbloeding bezorgen, om mijn angst te overwinnen?” Of: “Ik ben bang om geslagen te worden, moet je me dan maar slaan, zodat ik m’n angst overwin?” Wat ik hiermee aan wilde geven, is dat al mijn angsten terug waren te leiden op een hele grote angst voor reëel gevaar. En dat ik deze angst te lijf was gegaan in de kliniek, door er tegen te vechten, en deze nu niet meer te overwinnen was, door wat er gebeurd was in de deeltijdtherapie. Maar op het RIC zagen ze m’n toegenomen activiteit en dat beloonden ze dan ook.

Op het activiteitencentrum voelde ik me steeds meer op m’n gemak en begon ik af en toe nogal jolige opmerkingen te maken, ook naar collega’s. In een evaluatie met Alfred (waar Rina ook bij was) kreeg ik hier een kritische opmerking over van hem. “We moeten daar iets mee!” vond hij. “Misschien moeten we er een doel van maken!” Dit werkte ook weer traumatisch bij mij. Het hield niet op! Het voelde voor mij alsof er alweer een eigenschap van mij niet mocht zijn, terwijl ik die eigenschap juist zo hard nodig had om nog een béétje overeind te blijven. Ik ging weer een stukje achteruit, de ander werd weer iets machtiger in m’n hoofd. Gelukkig heb ik hier met Alfred over kunnen praten en hij snapte dat ik met z’n opmerking niet zoveel kon, en dat het beter was om mij gewoon wat vrijer te laten. Ik kreeg van dit voorval een ontzettende knal, en ik werd weer een stuk passiever.

Ik kreeg nu steeds duidelijker dat ik qua gevoel langzaam achteruitging, door erg kleine voorvallen, die voor een gezond mens niks zouden betekenen. Dit is erg beangstigend. De obsessies naar vrouwen werden steeds erger: ik kreeg er last van. Zelfs lichamelijke klachten. Als ik nu zelfs al last ging krijgen van m’n obsessies en ik gedwongen was ze stukje bij beetje los te laten uit overleving, terwijl ik ze eigenlijk zo hard nodig heb om me nog een beetje redelijk te voelen, dan was het wel erg met me gesteld. En het is nu ook zo, dat de obsessies langzaamaan zijn verdwenen: ik heb als het ware de strijd om indruk te maken op vrouwen, opgegeven. Maar dat maakt me een stuk depressiever en erg moe, want vrouwen waren voor mij zoals gezegd een veilige haven.

Door het voorval met Alfred besefte ik, dat het beter is als ik niet te veel nieuwe dingen onderneem. Mijn angst is niet te overwinnen door veel te gaan doen, en dat is precies wat ik voorspeld had. Iedere keer als ik stappen onderneem, dan word ik extra gevoelig voor de reacties, en krijg ik het tien keer zo hard terug. Dan maar leven als een plant. Ik ben gewoon té kwetsbaar om buiten de structuur allerlei dingen te gaan ondernemen. De kans op nóg verdere beschadiging is té groot. Ik moet om mezelf denken. En dit maakte ik ook duidelijk aan Rina, toen ze weer zei dat ik de dingen niet moest vermijden. Wat dat betreft heeft Anke, mijn therapeute in de kliniek, gelijk, toen ze het over Dick, het kasplantje had, die niet meer geholpen kon worden, vanwege z’n verdedigingsmechanisme. Hij moest zo gestructureerd mogelijk gaan leven om niet verder beschadigd te worden, en ik doe dat nu ook. Ik probeer nu dan ook zo veel mogelijk een balans te vinden tussen ‘afleiding zoeken’ van de slechte gevoelens en ‘om mezelf denken’, en wat hierbij helpt zijn m’n vaste bezoeken aan het RIC, en m’n vaste activiteiten, zoals het kantoorwerk, af een toe een foto-opdrachtje, en voor een oude muziekleraar van me doe ik ook wel eens wat klusjes op muzikaal gebied.

Een intense nieuwe liefde
2011-2012

Eind 2010 ontmoet ik op het Activiteitencentrum waar ik al een aantal jaren met veel plezier werk, Eline, een jonge vrouw die 6 jaar ouder is dan ik. We worden verliefd, en zij geeft haar relatie er voor op, iets wat later een bijzonder hardnekkig patroon van haar blijkt te zijn. Ik ben zo ontzettend verliefd, dat ik het moreel gezien goedpraat, om maar met haar te kunnen zijn. Uiteindelijk zijn we samen en dat zorgt voor een hele mooie tijd. We sturen elkaar ellenlange mails, gewoon omdat we elkaar zo goed mogelijk willen zien, en zelf zo goed mogelijk gezien willen worden, omdat het daar toch aan heeft ontbroken in onze jeugd. Eline heeft ook psychische klachten, maar van een heel ander soort dan ik. Ik had voor mezelf besloten dat ik een vrouw wilde die wat stoerder was, wat jongensachtiger, en Eline voldeed daar prima aan. Het was een hele stoere meid. Ik was verslaafd aan intiem zijn met haar, en hield veel van haar, maar ze was soms een beetje op het antisociale af. Als ik daar geïrriteerd door raakte, dan reageerde ze niet echt met begrip, en wilde ze haar verantwoordelijkheid ontlopen. Toen we zoveel gedeeld hadden met elkaar, dan het een beetje ‘op’ was, ging ze zich wat meer op zichzelf richten. Ik kon daar moeilijk mee omgaan, obsessief dat ik was, en sprong regelmatig flink uit m’n vel, als ze weer iets antisociaals deed of zei. Ik kreeg dan steevast een reactie waar ik niet tegen opgewassen was. Maar mijn liefde voor haar was zo sterk, en ik vond het zo fijn met haar aan de andere kant, dat ik haar niet wilde opgeven. Maandenlang ging ik steeds verder achteruit. En iedere keer maakten we het weer goed, maar dit kon niet zo eindeloos doorgaan. Ze ging steeds meer afstand nemen, want ze vond mij benauwend.

Op een gegeven moment ging ze een maandenlange therapie doen. Ze ging op zichzelf wonen, en we zouden in relatietherapie gaan op die locatie. Ik herinner het me als een zeer sfeervolle tijd. Ik heb veel lange treinritten gevoerd naar die kliniek, en luisterde dan naar muziek van Rush, een Amerikaanse rockband. Eline zien was iedere keer zo ontzettend leuk. We klikten op zoveel vlakken. Maar wat bleef is dat ze door mijn woede steeds verder afstand nam, en de relatietherapie uiteindelijk uitliep op een ‘pauze in de relatie’. We kregen het over behoeftes in die therapie, en dat Eline misschien de behoefte had om versierd te worden. Dit vond ik belachelijk, want ik kan moeilijk de hele tijd positief naar haar zijn, het negatieve moet ook geuit kunnen worden vind ik. Uiteindelijk besloot ze het uit te maken.

Ik was ondertussen zover achteruit gegaan dat ik mijn zelfvertrouwen onderuit ging halen. Ik gaf het aan aan de relatietherapeut en hij wilde me een keer zien zonder Eline. Toen heeft ie toegegeven dat ie een fout heeft gemaakt, en dat ie niet gedacht had dat die therapie dit effect zou hebben.

Een aantal maanden later kreeg ik echter weer contact met Eline. Ik ging naar haar toe en begon haar een tijd lang als een gek te versieren. Toen het allemaal geen effect had, en ze nog steeds niet intiem met me wilde zijn, heb ik een grens gesteld en gezegd dat ik het anders opgeef en geen contact meer wil. En dat hielp, want toen wilde ze ineens wel. Toch frappant hoe dat kan werken. Voor het weer ‘aan’ was, had ze me echter nog iets op te biechten, en dat was dat ze seks had gehad met een andere jongen. Ik was ontzettend pissig, en wilde er bijna vandoor gaan, maar ze smeekte me om te blijven. Ik besloot toch om het nog eens te proberen (want de verliefdheid was nog steeds enorm, zo enorm dat ik mijn morele bezwaren weer opzij schoof). We hadden nog een aantal gemoedelijke weken. Totdat we ruzie kregen over iets kleins. Ik sprak uit dat ik grote twijfels had of ik hier wel mee door moest gaan. En toen werd ze wel zo boos, dat het mij alleen maar bevestigde. Ik had haar als het ware gebruikt om m’n zelfvertrouwen weer enigszins te herstellen, dus het was logisch dat ze boos was. Maar dat was het einde van onze relatie, die anderhalf jaar had geduurd.

Wat wel duidelijk was, was dat ik in grote nood verkeerde. Anders doe je niet zulke dingen, al ging dat op dat moment allemaal niet bewust. En zij heeft op haar beurt ook dingen gedaan die ze niet had moeten doen. Maar ik vond het echt jammer dat het zo liep, want ze was wel een zeer grote liefde voor mij.

Ondertussen was ik zover achteruit gegaan dat ik meer gesprekken nodig had. Een goede Belgische psychiater genaamd Dimphy Peeters ging mij helpen op de afdeling Angst- en Stemmingsstoornissen. Ze gaf me echt veel aandacht en verontschuldigde dat ik niet eerder bij haar terecht kon. Op een gegeven moment wist ze genoeg, en zag ze de ernst van de situatie, dus ze besloot in te grijpen. Ze maakte vervelende opmerkingen, net zo lang, totdat ik gigantisch uit m’n vel sprong tegen haar. Ze keurde het keihard af, en toen ik vervolgens aan het huilen was, keurde ze dat vervolgens ook nog af. Dit was ik niet gewend de laatste jaren. Ze hadden mij jarenlang heel voorzichtig aangepakt, om achteruitgang te voorkomen, maar als je eenmaal zover bent dat je je zelfvertrouwen gaat onderuit halen, wat zeer gevaarlijk is, dan is het tijd voor de harde aanpak.

Ik liep huilend over straat. Ik begreep waarom ze het deed, maar het voelde alsof ik weer de schuldige was in het verhaal, en ik alleen maar meer van dezelfde negativiteit over me heen kreeg. Ik vond niet dat ik het verdiende, maar nogmaals, ik begreep waarom ze het deed. Door het trauma op een gematigde manier te herhalen, kan ik gedwongen worden er anders mee om te gaan. Iets wat ze in de kliniek tenslotte ook hadden gedaan door de keiharde confronterende houding van mijn hoofdbehandelaar Anke van Brunssum destijds. Maar ik had echt het gevoel dat ik nu nooit meer boos mocht zijn. Wat er toen gebeurde is wel bijzonder: Ik mocht alleen nog maar lief zijn van mezelf.

Verwijzing naar Centrum voor Psychose
2013-2017

Dr. Peeters vroeg zich af of ik zo angstig kon worden dat ik psychotisch werd. Of was de psychose misschien bron van angst? Ze gaf me een ander medicijn bij m’n Efexor, en Risperdal, Zoloft genaamd. Toen ik dit slikte, werd ik gelijk psychotisch. Ik had opnieuw het gevoel dat ik een vrouwenlichaam had, en ik werd er panisch van. Toen was het voor Dr. Peeters duidelijk dat de psychose bron van angst was, en ik een psychotische kwetsbaarheid had, en ze stuurde me door naar het Centrum voor Psychose, in een naburig stadje.

Ik wilde ondertussen nooit meer boos zijn, omdat Dr. Peeters dit zo afgekeurd had. Dit zorgde ervoor dat ik het steeds uiten van m’n boosheid af had geleerd en een gezonde manier van het beleven van m’n agressie werd gestimuleerd, juist door de onprettige behandeling: agressie onder controle. Onbewust dacht ik nu echter dat ik alleen nog maar lief mocht zijn tegen vrouwen, en ook daarin ging ik duidelijk over grenzen. In deze jaren begon ik obsessief vrouwen om me heen te versieren. Maakt niet uit of ze bezet waren. Ik was zo radeloos, dat ik het bij iedereen om me heen probeerde. Dit hadden ze natuurlijk door en voorspeld bij het Centrum voor Psychose en ze probeerde mij te behandelen met behulp van de activiteitenbegeleiders op het Activiteitencentrum van de GGz. Alleen dat had ik toen nog niet door. Wat ik wel door had, was dat iedere keer wanneer ik iets besproken had met mijn case-manager van de GGz, er daarna opmerkingen kwamen over datzelfde, van de activiteitenbegeleiders op het Activiteitencentrum. Ze zeiden dat ze geen contact hadden met elkaar, maar het was gewoon iedere keer veel te toevallig.

Toen er een aantrekkelijke en stoere stagiaire aangenomen werd daar, die zich veel met mij ging bezighouden, kreeg ik echter door wat er gebeurde. Ik sprak naar een activiteitenbegeleider uit, dat ik dacht dat ze instructies kregen om mij te behandelen. En de volgende dag zei deze stoere stagiaire als reactie op een vraag van haar die ik beantwoordde: “Zo, jij bent wel slim!” Wat in die context echt helemaal niet op z’n plek was. En toen was het mij geheel duidelijk. Ik werd behandeld, en ze wilden mij indirect laten weten dat ik gelijk had wat betreft deze gedachten. Ik kreeg in de loop van de tijd door dat ik zowel positieve als negatieve betrekkingswanen had. En dat de activiteitenbegeleiders instructies kregen om mij te confronteren met deze situaties, juist door dingen te zeggen die op mij van toepassing waren of voor mij bedoeld waren.

Toen ik uiteindelijk verschillende bezette vrouwen tegelijk aan het versieren was, uit totale wanhoop, en één van die dames met dezelfde naam als mijn tweede vriendin, Tanja dus, hapte, was het hek van de dam. Doordat m’n boosheid nu helemaal afgekeurd was, en al m’n kracht in de loop van de jaren uit me was gezogen, kon ik seksueel niks meer, maar ik zat ondertussen wel steeds vrouwen te versieren om mij heen, met als doel een seksuele relatie. Het was duidelijk dat ze dat mij door me goed te kwetsen af moesten leren, anders zou de kans heel groot zijn, dat de kwetsingen die ik nog ging oplopen in de toekomst, funest zouden worden.

Maar goed, Tanja hapte. En had haar zinnen op mij gezet. Ik weigerde. Ik had haar eerst versierd, maar nu ze hapte, kon ik helemaal niet geven wat ik haar wilde geven, en werd ik zo angstig dat ik een grote grens aangaf. Bovendien had Tanja een vriend thuis zitten en was ik als de dood dat ze die relatie op zou zeggen, en dan teleurgesteld in mij zou raken, en dan niemand had. Dus ik heb het uitgelegd, en sindsdien koelde ze af. Maar ik had nog steeds het gevoel dat ik alleen maar lief mocht zijn, en ging daarin weer over grenzen. Dus op een gegeven moment kwam Tanja op het Activiteitencentrum en gaf ze aan dat ze zich raar voelde, waarschijnlijk omdat ze de verliefdheid weer op voelde lopen naar mij door mijn lieve opmerkingen, maar ze geen kant op kon met dat gevoel. Ze ging in gesprek met onze projectbegeleidster. En sinds die tijd draaide ze 180 graden. Het was alsof ze een ander persoon was. Ze leek nu actief aan mijn behandeling mee te werken. En wees me keer op keer af op hele listige manieren, die alleen door hele slimme psychiaters bedacht kunnen worden. Ik dacht: is Tanja nog wel Tanja? Toen ze me op een gegeven moment ongelooflijk kwetste, en ik nu het gevoel had dat ik zowel niet boos mocht zijn, als niet lief mocht zijn. Toen was het vuurwerk. Ik werd woest. Ik gaf mezelf nu de toestemming om woest te zijn, zonder dat het obsessief was. Het was authentieke boosheid, al was het nog heel ruw, en ik schold haar de huid vol.

Mijn projectbegeleidster en Tanja, waren daarna weer vol afkeuring tegen mij, maar één van de mannelijke activiteitenbegeleiders steunde mij, en gaf me gratis een saucijzenbroodje. Het was duidelijk dat ze mij precies omgekeerd behandelden, als dat mijn ouders hadden gedaan vroeger. De mannenfiguur, die vroeger afkeurend was (mijn vader), beloonde mij nu (activiteitenbegeleider), en de vrouwenfiguur, die vroeger gekwetst was (mijn moeder), keurde nu af (projectbegeleidster + Tanja). Het was zo overduidelijk dat ik behandeld werd, en dat was olie op het vuur!

Toen ik deze negatieve afwijzing van Tanja had ervaren, week ik vervolgens uit naar een andere jonge meid, Celina, met een bijzonderheid, ze was lesbisch. Dat maakte me niks uit. Ik ging ook haar proberen te versieren, totdat ik bij haar thuis nieuwjaar vierde samen met haar. Ik was weer helemaal hoteldebotel van haar. Een paar dagen na nieuwjaar postte ze ineens een stuk of 10 teksten (à la Rumag) op haar Facebookprofiel, en ze hadden stuk voor stuk betrekking op mij. Het was duidelijk dat ze me afwees, maar ze deed dat wel op zo’n liefdevolle manier, dat ik zo geraakt werd, dat ik nadat ik bij Tanja (die me op een gemene manier afwees) m’n boosheid geuit had, nu al m’n verdriet liet gaan, en deze boosheid voorgoed losliet. Het stond symbool voor mijn lieve moeder die ik nu losliet en die er altijd voor me was, als ik bang was, of haar nodig had, en het was zeer groot verdriet. Uren heb ik gehuild, zo heftig was het. Ik sprak het uit naar Celina, en ze zei dat de teksten op haar van toepassing waren, maar ik wist dat het een leugen was. Dit was niet toevallig geraakt worden door iemand. Dit was gerichte behandeling.

Maar toen was de vraag: instrueert de GGz patiënten op het Activiteitencentrum om mij gericht te behandelen? Dat klinkt natuurlijk belachelijk, en niemand bij wie ik m’n vermoedens uitsprak, kon dit geloven. Maar ik ben er heilig van overtuigd dat deze zogenaamde patiënten wel instructies hebben gehad, maar niet als patiënt maar als…. agenten van de Matrix. De mensen die mij zo gericht behandelen zijn stuk voor stuk overgenomen met als doel om mij te behandelen, maar dat zou ik pas veel later beseffen!

Getarget door Draken
2018-2020

Vanaf 2006 was ik een ontzettende lezer geworden. Ik deed niks liever dan zoveel mogelijk verschillende boeken lezen. Het begon met boeken over bijnadoodervaringen, toen kwamen de boeken over kwantumfysica, morfogenetische velden, toen boeken over uittredingen, toen boeken over water, een hoop esoterische dingen zoals aura’s, toen parapsychologie, en boeken over aliens en samenzweringen. Ik ging steeds verder en dook recht op mijn angsten af. Alles wat ik voorheen had afgewezen, ging ik onderzoeken, om te kijken of ik wel terecht was in mijn afwijzing. Meestal bleef er niet veel van over. Door integraal te denken, kon ik de echte waarheid ontdekken van de wereld. En de meeste dingen die ik eerder geleerd hadden, waren gewoon gericht op leugens, kwam ik achter.

Maar ik wist niet dat ik, met mijn voornemen om de waarheid te leren kennen, uiteindelijk een gevaar zou worden voor dezelfde occulte groep als waarover ik had gelezen in de boeken van David Icke. Meestal praatte ik niet over de dingen die ik las. Maar toen mijn therapeuten noodgedwongen mijn psychotische stoornis behandelden en ik in mijn gesprekken met mijn psychiater ondertussen te horen kreeg dat ik geen psychotische kwetsbaarheid meer had, voelde ik me gesterkt om mijn psychotisch aandoende gedachten toch uit te gaan spreken, maar helaas werd toen de aanval geopend op mij. Maar ik opende de aanval op mijn beurt ook op iedereen die mij bedreigde, en laat ik er net achterkomen dat deze Draken geïnfiltreerd waren in alle instellingen, zo ook de GGz. Nee, de GGz had niet patiënten geïnstrueerd om mij stiekem te behandelen. Het was veel erger. Ze hadden deze mensen overgenomen, zodat ze onder controle waren van de GGz, maar de loyaliteit van deze overgenomen mensen lag niet bij de GGz, maar bij een veel hogere macht. De GGz is een Satanische instelling, en ze dienen dan ook Satan, en hun enige taak is om zoveel mogelijk mensen een comprimerende behandeling te geven, dat wil zeggen: gericht op het controleren van agressie. Iets wat in die zin broodnodig is in een wereld vol agressie! Maar laat dat nu net de verkeerde behandeling zijn voor mijn problematiek, omdat ik nooit boos mocht zijn vroeger, en dan heb je je agressie hard nodig. Alle vrouwen die mij gericht afwezen, eerst op de nare manier om mijn boosheid te triggeren, en toen op de lieve manier, om mijn verdriet te triggeren, vervulden een Satanische rol. Pas toen ze expres openheid van zaken geven over dat deze mensen overgenomen waren, met het openlijk tonen van het eerste slachtoffer als een alien op Facebook, gingen zij over op de Antichristus rol, die in tegenstelling tot de Satanische rol niet zomaar voor compressie van de geest zorgt, maar juist voor een destructieve compressie van de geest, waar je een stuk sterker voor moet zijn om het aan te kunnen. Deze Antichristus energie had ik al als jong kind ervaren, in de vorm van de destructieve aanvallen van mijn vader op mij, in een periode dat ik er nog helemaal niet klaar voor was. Maar nu kon ik het wel aan, daar was ik van overtuigd, want mijn beschadiging was helemaal geïsoleerd, verwerkt en uitgespeeld.

De rest van wat er gebeurde, is geschiedenis en toekomst tegelijk, en kunt u lezen op de Artikelen-pagina.

Jesse Musson
september 2010 & augustus 2021


Volg mij:
linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram